Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Laat

betekenis & definitie

Het begrip laat heeft 2 verschillende betekenissen:

1. laat - bn. bw. (later, -st), niet vroeg, vergevorderd (van den tijd); wat na den gewonen of bepaalden tijd plaats heeft: 't is al laat; laat in (op) het jaar; laat op den dag; een late oogst;
— een late Paschen, die later valt dan gewoonlijk;
— vroeg of laat, te eeniger tijd;
— laat thuis komen, laat op den avond, in den nacht;
— van den vroegen morgen tot den laten avond werken, altijd door;
— late kersen, die laat in den tijd rijp worden;
— (spr.) late haver komt ook op, al komt iets niet vroeg, toch kan er wel iets goede van komen;
— hoe laat is heil welk uur wijst de klok ?; hoe laat ? wanneer, op welk uur ?;
— (spr.) beter laat dan nooit;
— het is te laat, de tijd is voorbij, (ook) het (de zaak) is verloren;
— (fig.) ik weet al hoe laat het is, hoe het met hem of met de zaak gesteld is;
— O, is het zoo laat! is het er zoo mee gesteld, is dat de zaak!
— latere tijdingen, ontvangen na de vorige;
— laatst, door geen ander, door niets meer gevolgd; de laatste maal; de laatste dag van het jaar;
— de laatste hand aan iets leggen, iets voltooien;
— iem. de laatste eer bewijzen, hem ten grave leiden;
— den laatsten adem uitblazen, sterven;
— het laatste oordeel; bij laatsten wil, bij uiterste wilsbeschikking, bij testament; hij ging het laatst uit; ten laatste, aan het einde of slot, eindelijk.

2. laat - m. (laten), (hist.) hoorige, halfvrije boer.