Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Plaats

betekenis & definitie

Plaats v. (-en), platte of platgemaakte weg, stuk grond tot een bepaald doel vlakgemaakt: anker-, bad-, begraafplaats; speelplaats;

— eene door huizen ingesloten vlakte, plein;
— eene door muren ingesloten vlakte van kleineren omvang: de plaats achter een huis; de ramen zien uit op eene binnenplaats;
— stad, vlek of dorp: in welke plaats woont hij?; Den Haag is eene schoone plaats; eene kleine, groote, vervelende, prettige plaats; geboorteplaats; woonplaats;
— in verband met bedrijven, beroepen, handel enz.: handelsplaats, visschersplaats; de voornaamste plaats voor de speldenindustrie; stapelplaats, zeeplaats;
— met betrekking tot de verdediging: versterkte en open plaatsen; eene plaats bestormen, innemen, ontzetten; de commandant der plaats;
— landgoed, buitenplaats: hij heeft daar eene mooie plaats;
— plaats waar men verwijlt, vertoeft, zich ophoudt: publieke plaatsen; beruchte plaatsen bezoeken; rust-, slaap-, stook-, werkplaats;
— volzin, gedeelte uit een werk, aanhaling: deze plaats uit Cicero luidt aldus; bijbelplaatsen; bewijsplaatsen aanvoeren; zie den schrijver ter aangehaalde plaatse;
plek aan het lichaam: op die plaats gevoel ik pijn; iem. op eene. vreemde plaats aanpakken; het is zoo’n rare plaats, om daarnaar een dokter te laten zien;
— ruimte die een persoon of zaak inneemt of innemen kan: alles neemt plaats in; dat beslaat veel plaats; is daar nog plaats voor mij?; eene nauwe, kleine, groote, ruime plaats hebben;
— plaats nemen, gaan zitten;
— voor iem. plaats maken, zoodat hij kan gaan zitten, kan voorbijgaan;
— plaats!, maak plaats, maak ruimte, uit den weg;
— eene plaats bespreken, zich het gebruik daarvan verzekeren;
— besproken plaatsen, vooruit besteld en betaald (in een schouwburg, enz.);
— gij hebt mijne plaats ingenomen;
— iem. zijne plaats afstaan, hem toestaan die plaats in te nemen;
— (fig.) aan eene plaats gebonden zijn, die niet kunnen verlaten;
— die kist is van de plaats niet te krijgen, is niet te vervoeren;
— (spr.) men kan niet op twee plaatsen te gelijk zijn, men kan niet overal te gelijk zijn, voor alles te gelijk zorgen;
— hij weet zijne plaats niet, weet niet waar hij staan moet (ook fig.);
— iets op zijne plaats zetten, op de plaats die het gewoonlijk inneemt;
— (fig.) iem. op zijne plaats zetten, hem scherp te recht zetten, hem zijn hoogen dunk ontnemen;
— het is hier de plaats niet, dat te bespreken, de geschikte plaats;
— hij is op zekere plaats, hij voldoet aan eene natuurlijke behoefte, is op de bestekamer;
— iets op zijne plaats laten, er niet aan komen; (fig.) wij zullen dat maar op zijne plaats laten, dat laten rusten, er niet over spreken;
— hij bleef op de plaats dood, op de plaats dood waar hij zich bevond;
— van de Atjehers zijn 100 man op de plaats gebleven, gesneuveld;
— (spr.) een goed woord vindt altijd eene goede plaats, een goed woord vindt gemakkelijk ingang;
— iem. een plaatsje in zijn hart geven, hem in liefde gedenken;
— hij heeft het hart op de rechte plaats, hij is gevoelig, medelijdend van aard; eene bede plaats geven, haar toestaan;
— plaats hebben, grijpen, vinden, gebeuren, voorvallen, geschieden;
— ruimte die iets of iem. inneemt met betrekking tot zekeren rang: de plaatsen der leerlingen worden geregeld naar hunne vorderingen; de betrekkelijke waarde der cijfers wordt bepaald door hunne plaats; hij bekleedde daar eene eerste plaats; Vondel komt de eerste plaats onder onze dichters toe;
— in de eerste plaats moet gij u wachten voor de ledigheid, voor alles moet gij zorg dragen, altijd wat te doen te hebben;
— in de eerste, tweede, derde plaats enz.;
— (in betrekking tot wat personen of zaken te verrichten hebben): zij vervangt daar de plaats van moeder, zij treedt daar als moeder op;
— in uwe plaats deed ik het, als ik in uw geval verkeerde;
— als ik in uwe plaats was;
— hij is daar niet op zijne plaats, daar kan hij niet zooveel verrichten, uitwerken, als men zou mogen verwachten;
— daar is hij juist op zijne plaats, een beteren werkkring is er voor hem niet; hij bleek de rechte man op die plaats te zijn, die betrekking zeer goed te vervullen;
— betrekking, ambt, werkkring: eene vacante, opengevallen plaats, die niet vervuld is;
— naar eene plaats dingen, solliciteer en, staan, trachten, zijn best doen voor die betrekking benoemd te worden;
— (in betrekking vooral tot het loon, het salaris): die plaats wordt schraal bezoldigd;
— eene voordeelige plaats, waaraan een goed inkomen verbonden is;
— die meid heeft daar eene goede plaats, een goeden dienst, betrekking;
— in plaats van geld geeft hij mooie woorden; in plaats van zelf te komen, stuurt hij een briefje. PLAATSJE, o. (-s).