Plaats betekenis & definitie

Plaats v. (-en), platte of platgemaakte weg, stuk grond tot een bepaald doel vlakgemaakt: anker-, bad-, begraafplaats; speelplaats; — eene door huizen ingesloten vlakte, plein; — eene door muren ingesloten vlakte van kleineren omvang: de plaats achter een huis; de ramen zien uit op eene binnenplaats; — stad, vlek of dorp: in welke plaats woont hij?; Den Haag is eene schoone plaats; eene kleine, groote, vervelende, prettige plaats; geboorteplaats; woonplaats; — in verband met bedrijven, beroepen, handel enz.: handelsplaats, visschersplaats; de voornaamste plaats voor de speldenindustrie; stapelplaats, zeeplaats; — met betrekking tot de verdediging: versterkte en open plaatsen; eene plaats bestormen, innemen, ontzetten; de commandant der plaats; — landgoed, buitenplaats: hij heeft daar eene mooie plaats; — plaats waar men verwijlt, vertoeft, zich ophoudt: publieke plaatsen; beruchte plaatsen bezoeken; rust-, slaap-, stook-, werkplaats; — volzin, gedeelte uit een werk, aanhaling: deze plaats uit Cicero luidt aldus; bijbelplaatsen; bewijsplaatsen aanvoeren; zie den schrijver ter aangehaalde plaatse; — plek aan het lichaam: op die plaats gevoel ik pijn; iem. op eene. vreemde plaats aanpakken; het is zoo’n rare plaats, om daarnaar een dokter te laten zien; — ruimte die een persoon of zaak inneemt of innemen kan: alles neemt plaats in; dat beslaat veel plaats; is daar nog plaats voor mij?; eene nauwe, kleine, groote, ruime plaats hebben; — plaats nemen, gaan zitten; — voor iem. plaats maken, zoodat hij kan gaan zitten, kan voorbijgaan; — plaats!, maak plaats, maak ruimte, uit den weg; — eene plaats bespreken, zich het gebruik daarvan verzekeren; — besproken plaatsen, vooruit besteld en betaald (in een schouwburg, enz.); — gij hebt mijne plaats ingenomen; — iem. zijne plaats afstaan, hem toestaan die plaats in te nemen; — (fig.) aan eene plaats gebonden zijn, die niet kunnen verlaten; — die kist is van de plaats niet te krijgen, is niet te vervoeren; — (spr.) men kan niet op twee plaatsen te gelijk zijn, men kan niet overal te gelijk zijn, voor alles te gelijk zorgen; — hij weet zijne plaats niet, weet niet waar hij staan moet (ook fig.); — iets op zijne plaats zetten, op de plaats die het gewoonlijk inneemt; — (fig.) iem. op zijne plaats zetten, hem scherp te recht zetten, hem zijn hoogen dunk ontnemen; — het is hier de plaats niet, dat te bespreken, de geschikte plaats; — hij is op zekere plaats, hij voldoet aan eene natuurlijke behoefte, is op de bestekamer; — iets op zijne plaats laten, er niet aan komen; (fig.) wij zullen dat maar op zijne plaats laten, dat laten rusten, er niet over spreken; — hij bleef op de plaats dood, op de plaats dood waar hij zich bevond; — van de Atjehers zijn 100 man op de plaats gebleven, gesneuveld; — (spr.) een goed woord vindt altijd eene goede plaats, een goed woord vindt gemakkelijk ingang; — iem. een plaatsje in zijn hart geven, hem in liefde gedenken; — hij heeft het hart op de rechte plaats, hij is gevoelig, medelijdend van aard; eene bede plaats geven, haar toestaan; — plaats hebben, grijpen, vinden, gebeuren, voorvallen, geschieden; — ruimte die iets of iem. inneemt met betrekking tot zekeren rang: de plaatsen der leerlingen worden geregeld naar hunne vorderingen; de betrekkelijke waarde der cijfers wordt bepaald door hunne plaats; hij bekleedde daar eene eerste plaats; Vondel komt de eerste plaats onder onze dichters toe; — in de eerste plaats moet gij u wachten voor de ledigheid, voor alles moet gij zorg dragen, altijd wat te doen te hebben; — in de eerste, tweede, derde plaats enz.; — (in betrekking tot wat personen of zaken te verrichten hebben): zij vervangt daar de plaats van moeder, zij treedt daar als moeder op; — in uwe plaats deed ik het, als ik in uw geval verkeerde; — als ik in uwe plaats was; — hij is daar niet op zijne plaats, daar kan hij niet zooveel verrichten, uitwerken, als men zou mogen verwachten; — daar is hij juist op zijne plaats, een beteren werkkring is er voor hem niet; hij bleek de rechte man op die plaats te zijn, die betrekking zeer goed te vervullen; — betrekking, ambt, werkkring: eene vacante, opengevallen plaats, die niet vervuld is; — naar eene plaats dingen, solliciteer en, staan, trachten, zijn best doen voor die betrekking benoemd te worden; — (in betrekking vooral tot het loon, het salaris): die plaats wordt schraal bezoldigd; — eene voordeelige plaats, waaraan een goed inkomen verbonden is; — die meid heeft daar eene goede plaats, een goeden dienst, betrekking; — in plaats van geld geeft hij mooie woorden; in plaats van zelf te komen, stuurt hij een briefje. PLAATSJE, o. (-s).

Laatst bijgewerkt 22-11-2018