Hoogte betekenis & definitie

HOOGTE, v. de afstand van een punt boven de oppervlakte van de aarde tot aan die oppervlakte: de hoogte van een huis; deze bergen zijn van geringere hoogte dan de zooeven genoemde; ter halver hoogte van den toren; — (meetk.) de loodlijn uit het hoogste punt van eene vlakke figuur (of een lichaam) neergelaten op de grondlijn (of het grondvlak) of het verlengde daarvan: de hoogte van een driehoek, van een kegel; — de hoogte van een schroefgang, afstand tusschen het begin en het einde van een enkelen schroefgang; — (sterr.) de hoek gevormd door twee lijnen, gaande van het oog des waarnemers naar den horizon en eenig verheven punt (b. v. eene ster of bergtop); (ook) poolshoogte: hoogte nemen, bestek maken, de geographische breedte bepalen (op zee); — op de hoogte van...,. (eig.) op dezelfde geographische breedte, (bij uitbr.) nabij, omtrent: de vloot kruiste op de hoogte van de Wielingen; ik ontmoette haar op de hoogte van de kerk; — de zieke blijft op dezelfde hoogte, gaat niet voor- of achteruit; — tot op zekere hoogte hebt gij gelijk, voor een gedeelte, niet geheel; — de hoogte der muzikale tonen zijn vastgesteld, het aantal der geluidstrillingen; — het gesprek steeg tot eene groote hoogte, men voerde het steeds luider (door vuur, drift enz. vervoerd); — de hoogte van een barometer, het verschil in stand tusschen het kwikzilver in de buis en dat in het bakje; — het water rees tot eene ongekende hoogte, zoodat de gansche stad onderliep; de touwen werden losgelaten en de ballon ging statig in de hoogte, naar boven; — de prijzen gingen in de hoogte, de markt rees; — zij stak, tilde het kind in de hoogte; (fig.) iem. in de hoogte steken, hem verheffen, prijzen; — uit de hoogte op iets neerzien, er met trots, met minachting op neerzien; — iem. uit de hoogte behandelen, hem met vernederenden trots bejegenen; — zich van iets op de hoogte stellen, er zich mede bekend maken, zich dienaangaande de noodige inlichtingen verschaffen; hij is niet op de hoogte, is niet voldoende ingelicht; zich op de hoogte van zijn vak houden, zijn vak bijhouden; op de hoogte van zijn tijd zijn, met zijn tijd medegaan en zich de nieuwe denkbeelden eigen maken; hij heeft reeds eene aanmerkelijke hoogte bereikt, hij is ver in zijn vak, in de muziek, enz.; zij zijn op dezelfde hoogte, zij zijn even ver gevorderd; hij kan daar geene hoogte van krijgen, geen begrip, hij begrijpt dat in ’t geheel niet; — hij heeft de hoogte (of hij is behoorlijk op de hoogte, hij is op de hoogte van partij), hij is dronken; pas op, dat je de hoogte niet krijgt, drink niet te veel; — —, (-n), eene verheffing van den bodem (gewoonlijk met het bijdenkbeeld dat zij onbeduidend is), heuvel: de vijand bezette de hoogte; — muurplank in den kelder : zet de kazen maar op de hoogte. HOOGTETJE, o. (-s).

Gepubliceerd op 13-09-2018