Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Boom

betekenis & definitie

1. BOOM, m. (-en), plant met een enkelen stevigen overblijvenden stam;

— opgaande boom, hoogstammig, in tegenstelling met knotwilgen, hakhout, heester- en struikgewas;
hoornen planten, poten, kweeken, rooien enz.;
— (gew.) een boom afkandelaren, toppen;
— op den boom verkoopen, (van boomvruchten), nog ongeplukt, in den regel bij den roes;
— (veroud.) met iemand te boom willen, hem willen opknoopen;
— de boom der kennisse (des goeds en des kwaads), de boom in het Paradijs welks vrucht door God aan Adam en Eva verboden was;
— (bijb.) de boom des levens, de boom in Eden welks vruchten het eeuwige leven schonken; (Zuidn. ook) de sumakboom;
— boom des doods, de taxisboom;
— de holle boom, in vele streken de plaats waar, volgens het bakersprookje, de kinderen vandaan komen, vgl. (oud) bestje, (de dikke) steen; (in Ind.) de klapperboom;
— een kerel als een boom, die groot, forsch gebouwd is; ook een boom van een kerel;
— hij is, loopt zoo stijf als een boom, buitengemeen stijf;
— (spr.) kleine boompjes worden groot, meest in toepassing op kinderen die in den groei zijn;
— ’t boompje groot, ’t plantertje dood, gezegd wanneer iem. iets onderneemt waarvan hij zelf geene voordeelen zal kunnen genieten;
— spreeuwen willen wel kersen eten, maar geene hoornen planten, luiaards willen wel genieten, maar zelf geene moeite doen;
— een boom die gedurig verplant wordt, gedijt zelden, gedurige verandering van woonplaats (of van beroep) is zelden voordeelig;
— oude boomen verplant men niet, voor bejaarden is het niet goed van woonplaats te veranderen;
— aan de vruchten kent men den boom,, ’s menschen karakter toont zich in zijne daden, soms ook gezegd van kinderen met betrekking tot hunne ouders;
— hooge boomen vangen veel wind,, personen van aanzien staan aan allerlei beoordeeling, aan haat, nijd, laster, vervolging bloot;
— de bijl ligt aan den wortel des booms, het verderfelijke, verkeerde zal met kracht te keer gegaan worden;
— een boom valt niet met den eersten slag, eene moeilijke taak kan niet in eens volvoerd worden;
— waar de boom valt, blijft hij liggen, tegen een onvoorzien onheil is niets te doen;
— na de blaren vallen de boomen, de grooten en aanzienlijken ondergaan hetzelfde lot als de minderen, al komt het wat later;
— daar zijn wel hooger boomen gevallen, er zijn wel vreemder dingen gebeurd;
— (scherts.) een boom in brand steken, er tegenaan wateren;
— (Zuidn.) daar staat een boom in den weg, er is dak op het huis;
— (Zuidn.) den boom uitvegen, iets belachelijks zeggen; (ook) eene waarheid als eene koe uitorakelen;
— door de boomen het bosch niet zien, door te veel op bijzonderheden te letten, het geheel in onderling verband niet overzien; (ook scherts.) van wege het bosch de boomen niet zien, (gezegd van onderwijzers die niet genoeg op iederen leerling afzonderlijk letten; van eene afdeeling soldaten waar elk in het geheel opgaat enz.);
— (gew.) erg onder de boompjes zijn, zeer neerslachtig zijn;
— plotselinge rijzing der koersen van effecten, groote vraag naar eenig artikel;
— de kat uit den boom kijken, eene afwachtende houding aannemen;
— van den hoogen boom (af)teren, leven, op zorgelooze wijze groote verteringen maken, zijn kapitaal opeten;
— (gew.) het regent van den boom af, het regent verschrikkelijk;
— geslachtsboom;
—eene oude wijze van tellen, bestaande uit telkens vier evenwijdige streepjes met een dwarsstreepje, het boerenkrijtje;
— (in het kaartspel, inz. bij het jassen), eene stroop met vijf dwarsstrepen die bij elk gewonnen spel uitgeveegd (of bijgeschreven) worden, ten einde ieders winst en verlies te kunnen nagaan; spelen er drie, dan teekent men een driehoek, op welks zijden 5 schrapjes gezet worden een boom jassen, een boompje kaarten; een boompje spelen, winnen;
— een boompje opzetten, gezellig over iets babbelen;
— een boom. opzetten, iets lang en breed bepraten, veel drukte van iets onbeteekenends maken;
— mast van een schip; opgestoken maststok eener trekschuit, waaraan de lijn gebonden is; bezaansboom;
— balk of lat waarop de hoenders ter ruste gaan;
— balk tusschen twee palen hangende, waaraan op de markt staand vee wordt vastgebonden;
— (aan een rijtuig of wagen) disselboom, of ook lemoenboom;
— latierboom in een stal;
— (landbouw) ploegboom;
— lange boom of ponterstok over een voer hooi stevig vastgebonden, ook wvees- of weisboom genoemd;
— liggende rol van een windas of spil;
— (weverij) eene der twee of drie liggende houten of metalen rollen van een weefgetouw;
— (leerlooierij) afstootboom;
— een van boven platte boom die dienst doet als bruggetje, vastliggende of draaibaar;
— aan kleine draaibanken een drie- of vijfhoekig ijzeren prisma, ook loopstang geheeten;
— regel of bout dwars voor eene deur, eene poort, luiken om steviger te sluiten deurboom;
— balk dwars over een weg geslagen tolboom; den boom pachten;
— drijvende balk, sterk met ijzeren pennen beslagen, om eene doorvaart, eene haven af te sluiten, een ketting over eene vaart gespannen havenboom; den boom sluiten, openen;
— denkbeeldige lijn waar de havenboom pleegt of behoort te liggen de schepen binnen den boom halen, binnen stadsgebied, in de haven;
— plaats bij den havenboom waar de boommeesters zitten en waar verschillende rechten betaald moeten worden;
— (in vele havensteden) kade of aanlegplaats;
— regel, stok, spaak, spier om eenig voorwerp voort te bewegen, om te draaien of op te winden; vaarboom der schippers met den boom wegeren; windboom, hefboom;
— (in molens) de dwars op de spil staande spaak waaraan het paard of ander trekdier gespannen wordt dat den molen in gang brengt; draagboom: de boomen van een draagstoel; een bierboom;
— (Zuidn.) hij heeft een boom in den neuze, een uitwas, gezwel van vleesch, poliep, vgl. vleeschboom;
— (Zuidn.) de boom van de zon, het glinsterend stralen. Boompje, o. (-s).
2. BOOM, m. (-s, -en), samentrekking van BODEM.