Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Snel

betekenis & definitie

Het begrip snel heeft 2 verschillende betekenissen:

1. snel - SNEL - bn. bw. (-Ier, -st), vlug, gezwind, niet veel tijd noodig hebbende ; snel spreken, denken, schrijven; hij is snel als de ‘wind; snelle vorderingen, veroveringen maken; in alles is hij even snel, gaat hij even snel te werk; snel een besluit nemen;
— een snelle pols, waarvan de slagen elkander spoedig opvolgen;
— spoedig, haastig: zich snel uit de voeten maken, snel er van doorgaan; snel loopen, vliegen;
— (spr.) al is de leugen nog zoo snel, de waarheid achterhaalt ze wel, de waarheid zegeviert altijd (al duurt het soms lang);
— (Zuidn.) handig, vlug, vaardig : een snel werkman, eene snelle dienstbode; mooi, knap, flink: een snelle manskerel, welgemaakt en deftig; een snel jongeling, gezond en hupsch; een snel kind, frisch en bevallig; een snel soldaat, kloek en fier in de wapens;
— schrander, bevallig : snelle oogen, snel zien, kijken.

2. snel - SNEL - v. (-len), soort van kan of drinkglas, 1/2 pint inhoudende, waaruit men vroeger dronk;
— (ew.) vlookreeft (gammarus), diertje dat zich zeer snel in het water voortbeweegt. SNELLETJE,o. (-s).