ARBEID betekenis & definitie

m. moeite, inspanning van lichamelijke (of geestelijke) krachten om iets te verrichten, tot stand te brengen; werk dat moeite kost: leven zonder arbeid is geen leven; de boer oogst de vruchten van zijn arbeid; de arbeid op het veld, in de veenderijen; weinig arbeid voor veel loon; kunst wordt door arbeid verkregen; — verloren arbeid vergeefsche arbeid; — den arbeid hervatten, voltooien; — aan den arbeid gaan, zijn, werken: zware, zure gezette arbeid;— kamers van arbeid, vereenigingen om de gemeenschappelijke belangen van patroon en werkman te behartigen; — ridders van den arbeid, leden der groote werkliedenvereenigingen in Engeland en Amerika; — (scherts.) dat was ook een heele arbeid, niet veel moeite; — (staathuishoudk.) gezamenlijke werkzaamheid der menschen in hunne maatschappelijke betrekkingen ; verdeeling van den arbeid; vrijheid van arbeid; voortbrengende arbeid; — arbeidt adelt, zinspreuk van eene vrouwenvereeniging tot werkverschaffing; (spr.) arbeid verwarmt, luiheid verarmt; — wat men gaarne doet, dat is geen arbeid; — *t geld verzoet den arbeid, maakt dat men den arbeid niet met tegenzin uitvoert; — de vrucht, de opbrengst van iemands werk, het tot stand gebrachte de arbeid uwer handen zal verwoest worden; — (vooral van kunstwerken, geostesvoortbrengselen): de schilder heeft zijn arbeid tentoongesteld; tranen vielen op haar arbeid (borduurwerk b. v.): — deze kleine arbeid (geschrift) werd gunstig ontvangen; — (nat.) uitwerking eener kracht eene kracht verricht arbeid, als zij eene beweging doet ontstaan, belemmert of doet ophouden; — (werktuigk.) arbeid eener kracht, ’t product van massa en snelheid; — (veroud.) moeite, inspanning in ’t algemeen de dienaars hadden arbeids genoeg om ruim baan te maken (tegenwoordig werks), — (w.g.) barensnood in arbeid zijn, gaan; — [germanisme) gisting werking van bier enz.

Gepubliceerd op 31-08-2018