Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

Hebben

betekenis & definitie

hebben, (heeft, had, heeft gehad), bezitten :

't is wel mooi, maar ik zou het toch niet willen hebben; de vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten; hij heeft twee zoons; geld hebben, rijk zijn;
— hij heeft veel haar, is goed voorzien van haar;
— ik heb iets aan mijn voet, daaraan eenig ongemak;
— niets aan zijne voeten hebben, geen schoeisel of kousen;
— hij heeft een hoed op het hoofd, draagt een hoed;
— zij hebben geen eten in huis;
— ik heb een goeden buur aan hem, hij is voor mij een goede buurman;
— ik moet er niets van hebben, heb er niets van noodig, (fig.) wil er niets mee te maken hebben; (ook) ik houd daar niet van;
— hij heeft een winkel, houdt een winkel;
— zij hebben een groot huis, bewonen een groot huis:
— de bakker heeft geen brood meer, zijn voorraad brood is uitverkocht;
— mag ik dat boek hebben ?, wilt ge het mij tijdelijk, (ook) in eigendom afstaan ?;
— (zegsw.) hebben is hebben, maar krijgen is de kunst, zalig zijn de bezitters:
— gehad, is een arm man, die heeft is er beter an, gezegd als iem. hoog opgeeft van iets dat hij vroeger had;
— (van abstracte zaken) recht hebben, machtig zijn;
— recht op iets hebben, er rechtmatige aanspraak op kunnen maken;
— achting voor iem. hebben, gevoelen; de koorts hebben; pleizier van iels hebben; verdriet hebben; ergens spijt van hebben; twist hebben, in twist zijn; haast (of geen tijd) hebben, gehaast zijn;
— met kinderen moet men geduld hebben, geduldig zijn;
— (in bijzondere toepassingen) iets hebben, iets op het hart hebben, iets hebben dat ons beklemt of dat wij willen uiten hij heeft iets, maar hij wil niet zeggen wat; hebt ge nog iets ? (nl. te vragen);
— hij heeft heel wat gehad, allerlei verdrietelijks ondervonden:
— ik heb nog altijd een boek van u, onder mijne berusting;
— ik zou u den brief wel toonen, maar ik heb hem niet hier, hij is niet hier;
— iem. hebben, hem gepakt, gegrepen hebben; (ook) hem foppen; (ook) hem eene poets bakken;
— nu kom je waar ik je hebben wil, waar ik wil dat ge komt (gezegd als iem. bij een gesprek ingaat op wat de spreker bedoelt);
— daar hebben we het (of het gedonder, het gegooi in de glazen), daar breekt de bom los, daar is het verwachte onheil;
— daar heb je het al, daar ziet men reeds de droevige gevolgen;
— ik heb het, ik heb gevonden wat ik zocht;
— hoe laat heb je het ?, hoe laat is het op uw horloge;
— een klap van heb ik jou daar, een geduchte klap;
— houden, inhouden, bevatten een kop heeft 10 maatjes; een gulden heeft 100 centen; die stad heeft 10000 inwoners; iets met al zijn hebben en houden, met al wat er aan vast is, alles wat er bij behoort;
— vasthouden, te pakken hebben kip, ik heb je (gezegd als men iem. of iets beetpakt); ze hebben den dief, hij is gegrepen;
— we zullen hem hebben, hem wel vinden, hem nader spreken, hem bestraffen;
— daar heb-je hem leelijk mee, hebt ge hem erg mee te pakken, daarmee hindert ge hem zeer;
— krijgen hij zal mijn dochter niet hebben, niet tot vrouw krijgen;
— morgen zult ge uw loon hebben; ik.moet nog een gulden van hem hebben, hij is mij een gulden schuldig;
— ik verdien er weinig mee, maar ik moet het er gelukkig niet van hebben, het is niet de hoofdbron mijner inkomsten, ik moet er niet van leven;
— gekregen hebben die pantoffels heb ik van mijne vrouw;
— iets te leen hebben, te leen gekregen hebben;
— zijn loon weg hebben, zijn loon reeds ontvangen hebben;
— ontleend hebben ik heb het niet uit mijzelven, weet het van anderen;
— van wien hebt ge dat? wie heeft het u verteld; hij heeft het uit de eerste hand, zie HAND
iets willen hebben, begeeren dat het gebeurt: ik wil hebben, dat ge het doet; (ook) beweren men wil hebben, dat hij vermoord is;
— iets niet willen hebben, het niet veroorloven mijn vader wil het niet hebben;
— iets kunnen hebben, het kunnen verdragen, velen dat liegen kan ik niet hebben;
— hij kan niet veel hebben, kan weinig sterken drank verdragen; (ook) is gauw overstuur;
— iets moeten hebben, het noodig hebben, er niet buiten kunnen ik moet een nieuwen hoed hebben; (ook) verlangen: wat moet je hebben ?;
— liever hebben, liever wenschen ik had liever datt ge het niet deedt, dat was mij aangenamer;
— ik heb er een broertje aan dood, heb er een grooten hekel aan;
— het heeft niets te beduiden, beteekent niets;
— dagelijks met iem. te doen (of te maken) hebben, dagelijks met hem omgaan, zaken met hem hebben;
— met iem. te doen hebben, medelijden met hem hebben;
— het op iem. hebben, veel van hem houden; ik heb het niet op hem, ik vertrouw hem niet, (ook) ben niet boos op hem
— ergens iets aan hebben, er dienst of nut van hebben: doe die prullen maar weg, ik heb er toch niets aan; wat hebt ge er aan, dat te doen ?, welk genoegen, voordeel hebt ge er van, wat geeft het u
— het over iets hebben, er over spreken
— ergens van hebben, er op gelijken hij heeft veel van zijn vader; die twee broeders hebben niets van elkaar; het heeft er iets van, of ge mij voor den gek wil houden;
— iels tegen iem. (of iets) hebben, hem , (of het) om eenige reden niet mogen lijden wat kan hij toch tegen mij hebben ?, wat heeft hij op mij aan te merken;
— ik heb er niets tegen, er geen bezwaar tegen;
— het hebben, in een zekeren toestand verkeeren hij heeft het goed, verkeert in gunstige omstandigheden;
— zij hebben het kwaad genoeg, een hard lot;
— wij hebben het goed met elkaar, kunnen het goed vinden;
— kunt ge het nogal hebben ?, gevoelt ge u nogal behaaglijk, bevalt het u ?;
— (Zuidn.) iets in zijn lijf hebben, een voorgevoel van iets hebben;
— het weg hebben, koude gevat hebben: hij heeft het leelijk weg; hij heeft het op de borst, heeft eene borstaandoening;
— hebben te, behoeven gij hebt niets anders te doen dan te luisteren;
— reden hebben om ik heb niet te klagen;
— moeten ge hebt te doen wat ik zeg; je hebt te werken en niet te luieren;
— veel it doen hebben, drukke bezigheden hebben, (ook) eene drukke nering hebben;
— als hulpwerkwoord, ter omschrijving van den volmaakt verleden tijd bij transitieve en subjectieve intransitieve werkwoorden hij heeft het weggegeven; ik heb hem geslagen; hij had gezwommen; zij hebben gelachen.