Komen betekenis & definitie

KOMEN, (kwam, is gekomen), zich naar de plaats begeven, waar degene die spreekt of tot wien men spreekt is, of verondersteld wordt te zijn; het tegengestelde van gaan; ik kom spoedig naar huis; de trein komt nog niet; — vaak met eene nadere bepaling van de wijze, hoe men komt: naast, voor, achter iem. komen; met de boot, per spoor, te voet komen; — ook van de richting van zeker punt uit: de trein komt van Haarlem; van school, uit de kerk komen; — aankomen de gaande en komende man; er is een tijd van komen en een tijd van gaan; ik zie hem liever gaan dan komen; — wie eerst komt, eerst maalt, wie het eerst ergens is, wordt het eerst geholpen; — (fig.) aanbreken, naderen de tijd zal wel komen, dat dat alles veranderd is; als straks de zomer komt; er komt regen, het zal gaan regenen — geschieden, gebeuren, in zijn werk gaan vertel mij eens; hoe is dat gekomen ? hoe komt het, dat gij niet vertrokken zijt ? wat is de reden ? zoover zal hij het niet laten komen; — (w. g.) toekomen: mij komt hiervan ƒ25, ik krijg hiervan, heb recht op ƒ 25.; — genoeg hebben om behoorlijk te leven; dit jaar zullen wij er moeilijk komen; — dat kan nog goed komen, goed worden, in den gewenschten toestand komen; — (Zuidn.) hij zal nog goed komen, genezen; — (Zuidn.) iem. zien komen, hem bedriegen, afzetten, te veel voor iets laten betalen: in dien winkel hebben ze mij zien komen; — komen gevolgd door een voorzetsel: aan iets of iem. komen, iets of iem, verkrijgen dat meisje zal nog wel aan den man komen, zal wel een man krijgen; dat zal nog wel aan den man komen, nog wel verkocht worden; — hoe is hij aan al dat geld gekomen? hij is er niet eerlijk aan gekomen; — dit huis komt later aan hem, hij zal het erven; — er is niet aan te komen, ’t is niet te krijgen; — aan de beurt komen, zijne beurt krijgen; — die schurk komt nog aan de galg, zal nog eens opgehangen (zwaar gestraft) worden; — hij kon niet aan den gang komen, niet beginnen; — (w. g.) iem. aan het leven komen, hem het leven trachten te benemen; — gij moet niet aan de boter komen, er niet aan zitten, er niets afnemen; — aan land, aan wal komen; — (fig.) kom mij daarmede niet aan boord, spreek mij daar niet over, stel mij dat niet voor; — aan den dag komen, bekend worden; — (spr.) als de nood aan den man komt, als het er op aan komt, als de nood nijpt; — (gew.) ’t zal wel aan (om) den hals komen, ’t zal wel gebroken, aan stuk raken; er komt hier veel aan den hals, er gaat hier door achteloosheid veel verloren; — ik kan er niet achter komen, ik kan het niet te weten krijgen; — achter de waarheid, komen, de waarheid ontdekken; — achter een geheim komen, hiervan, kennis krijgen, ermede bekend worden; — zij komt zelden bij ons, bezoekt ons zelden; — bij eene vrouw komen, omgang met haar hebben, (ook) haar beslapen; — ik kan niet bij de appels komen, ze niet bereiken, er niet van nemen; — deze kleur komt er dicht bij, is bijna dezelfde; — ik kan er niet bij komen, kan het niet vatten, ’t is mij te hoog; — door iets komen, ev door komen, iets goed ten einde brengen hij komt niet door zijn werk; — zal de zieke er nog door komen ? nog genezen? — in gevaar, verlegenheid, nood komen, geraken; — in zwang komen, gebruikelijk worden; — in de mode komen, mode worden; — in verzoeking komen, niets meer te doen, grooten lust gevoelen, veel neiging hebben; — in de kraam komen, bevallen; — dat kwam mij niet in de gedachte, dat viel mij niet in; — in iemands plaats komen, de betrekking van iem. innemen, overnemen, hem vervangen; — ik kom om uw oudste dochter, te halen; (ook) hare hand te vragen; — om het leven komen, het leven verliezen; — onder dak komen, onderkomen, huisvesting krijgen; — iem. onder de oogen komen, voor hem verschijnen, in zijne nabijheid komen; — kom mij niet meer onder de oogen, scherpe wijze van wegzending; — ik kan maar niet op zijn naam komen, ik kan mij zijn naam maar niet herinneren; — op de gedachte komen, iets verzinnen, bedenken; — op den inval komen; — op de hoogte van iets komen, iets begrijpen, vatten, doorzien; — iem. op het lijf komen, hem overvallen, hem kastijden, afrossen; — iem. onverwachts op zijn dak komen vallen, onverwachts bij hem komen, hem verrassen; — er bovenop komen, tot welstand geraken; — (van eene zware ziekte) er weer bovenop komen, daarvan herstellen, beter worden; — die lamp komt op ƒ 25, dat is de prijs ervan; zoo’n reisje komt op ƒ 100, ƒ100 gaan er mee heen, moet men er voor uitgeven; —te huis komen; — iem. tegemoet komen, (ook fig.) een gedeelte der kosten voor hem betalen; (ook) iets van zijne eischen laten vallen; (ook) iem. een moeilijken stap door vriendelijke welwillendheid gemakkelijker maken; — schadeloos stellen; — te stade komen, van dienst zijn, helpen; — te pas komen; — te binnen komen, invallen, in de gedachte komen; — iets te boven komen, het overwinnen; — tot zichzelven komen, uit eene flauwte bijkomen; (ook) tot rust komen; (ook) niet langer vertoornd, gejaagd, met bezigheden overstelpt zijn, in zijn gewone doen komen; — tot bedaren, tot rust, tot kalmte komen, bedaard, rustig, kalm worden; — van woorden kwam het tot daden, ging het tot daden over; — van niets tot iets komen, uit geringen stand tot rijkdom geraken; — om tot de zaak te komen, om het eigenlijke punt te bespreken; — hij kon er niet toe komen, niet toe besluiten; — hij kan aardig uit zijn hoek komen, leuke opmerkingen maken; (ook) zich mild, vrijgevig betoonen; — (w. g.) hij kon uit dat schrift niet komen, kon het niet lezen; — niet uit zijn woorden kunnen komen, stamelen, (ook) naar zijne woorden zoeken; — voor den dag komen, zich vertoonen, te voorschijn komen; — netjes voor den dag komen, zich netjes voordoen, (ook) net gekleed zijn; (ook) iem. op nette wijze ontvangen, eene partij op behoorlijke wijze geven enz.; — komen gevolgd door eene onbepaalde wijs, die aangeeft de wijze, waarop het komen geschiedt: ik kom loopen, rijden, varen enz.; of het doel, waarvoor men komt; ik kom eens kijken; ik kom je halen, roepen enz.; — in verbinding met eene onbepaalde wijs met te beteekent komen geraken in den toestand, welke door het volgende werkwoord wordt aangegeven: dat beeld komt op den schoorsteen te staan; hij kwam onverwachts te sterven; dat zal hem duur te staan komen, dat zal hem veel geld kosten, dat zal hij duur betalen, (ook fig.) daar zal hij zwaar voor boeten.