WERELD betekenis & definitie

WERELD, v. (-en), het heelal, de hemel en de aarde met alles wat zij bevatten: God schiep de wereld in zes dagen; — deel der oneindige ruimte : de hemel met zijne tallooze werelden; — in het jaar der wereld na de schepping; naar de andere wereld verhuizen, sterven ; — iem. naar de andere wereld zenden, hem dooden; — de aarde : reis om de wereld in 80 dagen; de deelen der wereld; de Oude wereld, Europa, Azië en Afrika; de Nieuwe wereld. Amerika en Australië ; de wijde wereld ingaan, zijne geboorteplaats verlaten ; hoe is het in de wereld mogelijk !, hoe kan dat toch wezen!; — de aarde als woonplaats der menschen : ter wereld komen, geboren worden ; ter wereld brengen, baren ; eene onaangename zaak uit de wereld helpen, af doen ; de tegenwoordige wereld, de menschen die nu leven; de oude wereld, de oudheid ; ’t is een werk van de andere wereld (met zinspeling op de straf der Danaïden, van Ixion, van Sisyphus, van Tantalus enz.), een duivelsch werk; — de menschen die in de wereld leven : de heele wereld weet het; zoo gaat het in de wereld; zich door de wereld helpen, zich door het leven helpen ; de wereld intreden, in het publiek optreden ; dat kan ik voor de heele wereld verantwoorden, voor iedereen ; — goederen en genoegens der wereld : de wereld liefhebben; zich uit de wereld terugtrekken, der wereld afsterven, zich aan de samenleving onttrekken ; — ter wereld, dient tot versterking in: niets ter wereld bezitten, doodarm zijn ; de beste man ter wereld; wat ter wereld kan tegen zoo iets opwegen.