Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

STELLEN

betekenis & definitie

(stelde, heeft gesteld),

1. (overg.) plaatsen, zetten (in N.-Nederl. in vrij gebruik niet in de spreekt.): een vaas op de schoorsteen stellen; (Zuidn.) hij stelt er geen voet over de drempel; — aanbrengen, opslaan: steigers stellen; stenen op hagen stellen, de gevormde steen op het droogveld opzetten;
2. oneig. in min of meer vaste verbindingen: iets in de plaats van iets anders stellen; iets voor iets anders in de plaats stellen; iets naast iets anders stellen, het er mee vergelijken; iets op de voorgrond stellen; iem. zijn slecht gedrag voor ogen stellen, doen zien, doen inzien; iets op één (of op dezelfde) lijn stellen, zie bij Lijn; op gelijke voet stellen; iets tegen(over) iets anders stellen, a. ter uitdrukking van een tegenstand: hij gevoelde geen kracht zijn wil tegenover de hare te stellen; b. ter uitdrukking van een tegenstelling: welke zaligheid zouden latere jaren te stellen hebben tegenover het verspeelde geluk van een schuldeloze jeugd?; iets ter zijde stellen, niet gebruiken, niet in aanmerking nemen of buiten rekening laten; iets in een zeker daglicht stellen, het op een bep. wijze voorstellen; de waarheid in ’t licht stellen, goed doen uitkomen, doen weten; iets in de schaduw stellen, zie bij Schaduw; iets in de waagschaal stellen, iets wagen; iets aan de kaak stellen, zie bij Kaak; iets op losse schroeven stellen, zie bij Schroef; iets op de proef stellen, er de deugdelijkheid van onderzoeken; iem. iets ter hand stellen, het hem geven, doen hebben; iets uit zijn hoofd stellen, er niet meer aan denken; iets ten toon stellen, (goederen, kunstwerken) laten zien, zie bij Tentoonstellen; aan iets paal en perk stellen, het beperken, niet te groot in omvang laten worden; iem. paal en perk stellen, de grenzen van zijn macht of bevoegdheid aanwijzen; zijn zinnen op iets, op iem. stellen, er verzot, verliefd op raken; zijn hoop, zijn vertrouwen in iets, op iem. stellen, vestigen; in iem. of iets geloof, vertrouwen stellen; belang in iets stellen; zijn eer in iets stellen, zich tot eer aanrekenen; de banken stellen, zie bij Bank; zijn leven stellen voor, op het spel zetten ten behoeve van: de goede herder stelt zijn leven voor de schapen (Joh. 10:11);
— met een persoon als object: toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels (Matth. 4: 5); stel een ieder op zijn plaats; troepen op een hoogte stellen; — in min of meer vaste verbindingen: soldaten op post stellen; een leger in slagorde stellen, scharen; een misdadiger op (aan) de kaak stellen; iem. te pronk stellen, tot schande ergens op plaatsen; — iem. op één (of op dezelfde) lijn stellen, op gelijke voet met een ander stellen; iem. boven of beneden anderen stellen, iem. hoger of lager achten; iem. naar zijn hand stellen, hem zijn wensen doen volgen; iem. in de schaduw stellen, zie bij Schaduw; iem. voor een feit, een moeilijkheid stellen; iem. op de proef stellen, hem beproeven: zich iem. uit het hoofd stellen, niet meer aan hem denken; — (wederk.) hij stelde zich aan de ingang van het gebouw; de manschappen stellen zich op één rij; zich in het gelid, in slagorde stellen; zich in houding stellen; zich schrap zetten, zie bij Schrap (II); zich te weer stellen, weerstand bieden; zich in de bres stellen voor iem., voor hem in de bres springen, zijn verdediging op zich nemen; zich onder iem. stellen, t.w. onder diens bevel; zich aan het hoofd stellen, zich op de voorgrond stellen, zie bij Hoofd en Voorgrond; zich op een zeker standpunt stellen; zich tussen iem. stellen; zich voor ’t gerecht stellen, daar verschijnen; zich stellen, optreden in een geding: zich voor de verweerder stellen als procureur;
3. (overg.) (bierbr.) van gist: ze bij het afgekoelde wort voegen om er de gisting van te verwekken;
4. (Zuidn.) (wederk.) vaste stand nemen om zich te verweren, (ook) zich tot krachtsinspanning gereed maken: de kat vluchtte niet voor de hond, maar zij stelde zich; de geit stelde zich, maakte zich tot de aanval gereed; — (vandaar) zich verzetten (tegen): hij stelde zich tegen de dief, tegen deze eis;
5. (Zuidn.) (wederk.) van het weer: vast worden, zodat het goed en helder blijft: het weer stelt hem;
6. (overg.) in een bep.toestand of omstandigheid brengen: iem. in staat, in de gelegenheid stellen, het hem mogelijk maken; in rep en roer stellen, zie bij Rep; iets, iem. (of zich) in veiligheid, in zekerheid stellen; (zich) in gevaar stellen; (zich) onder iemands bescherming, hoede, zegen stellen; onder curatele stellen, b.v. een insolvente boedel; alles in het werk stellen, alle moeite aanwenden; veel mensen aan het werk stellen, arbeid geven; iets in werking, buiten werking stellen; in bedrijf stellen; iets aan de orde stellen, iets in bespreking brengen, b.v. in een vergadering; ten dienste stellen; ter beschikking stellen; iem. op vrije voeten, in vrijheid stellen, hem loslaten, hem de vrijheid hergeven; buiten vervolging stellen; iem. in verzekerde bewaring stellen; iem. op rantsoen, op dieet stellen; iem. buiten gevecht stellen; iem. (of zich) op de hoogte stellen van iets, zie bij Hoogte; iem. (of zich) in het bezit stellen van; iem. (of zich) in betrekking, in verbinding stellen met een ander; iem. op zijn gemak stellen of zetten; iem. op zijn hoede stellen; iem. in het gelijk, in het ongelijk stellen, hem gelijk, ongelijk geven; — zich in staat van tegenweer stellen; zich in beweging stellen; zich onder behandeling stellen, t.w. van een dokter; de molen in rust stellen, zodat hij niet meer maalt; — (in passieve zin) het is er zus of zo mee gesteld, zo staan de zaken; het is er lelijk mee gesteld, het ziet er jammerlijk uit;
7. (overg.) in een bep. positie brengen; doen zijn, maken: het systeem voor iets verantwoordelijk stellen; (zich) beschikbaar stellen; zich iets tot taak, ten plicht stellen; — hij stelt de woestijn tot een waterpoel, (Ps. 107: 35); — (Zuidn.) aan zijn leven werd plots een eind gesteld; — orde op iets stellen, zie bij Orde; — zich voor iets aansprakelijk, zich borg stellen, zie Aansprakelijk en Borg; (zich) verantwoordelijk stellen voor iets; zich candidaat stellen, zich als zodanig aanbieden; — iem. tot voorbeeld stellen; zich partij stellen (tegen iem.), als opponent in een proces tegen hem optreden;
8. (overg.) (veroud.) aanstellen, plaatsen in een bediening of betrekking: en hij stelde richters in het land (2 Bron. 19:5); zie, ik heb u over gans Egypteland gesteld, (Gen. 42:41);
9. (overg.) aanwijzen voor een bep. functie; geven, leveren, verschaffen: een borg, borgen stellen; een candidaat, candidaten stellen; een plaatsvervanger, een man stellen; de erfgenaam is verplicht, indien de schuldeisers of andere belanghebbenden zulks vorderen, voldoende zekerheid te stellen voor de waarde der roerende goederen in de boedelbeschrijving begrepen, (B.W. a. 1081);
10. (wederk.) (Zuidn.) zich gedragen; zich aanstellen: als gij u beter stelt, zal ik u meer drinkgeld geven; hij stelt als een held zich fier en koen; — de schijn aannemen van: zij lachten hartelijk om Jozef, die slecht geluimd was, of zich aldus stelde uit scherts;
11. (overg.) zich begeven tot, beginnen te: (veroud., thans nog Zuidn.) het op een lopen stellen, het op een lopen zetten; de koningin stelde zich tot vertrekken;
12. (overg., wederk.) (Zuidn.) zich ergens in schikken, ergens in berusten: de dood van uw vrouw is een groot ongeluk, maar gij moet proberen u daar in te stellen;
13. (overg.) (Zuidn.) rechtop, recht in de hoogte doen staan; inz. van de oren van sommige dieren: de hond stelde zijn oren;
14. (overg.) in de juiste stand brengen, de juiste stand geven: een machine stellen; deuren en ramen van een in aanbouw zijnd huis stellen; de netten, een val stellen, opstellen, gereedzetten; het vizier van een geweer stellen; een stuk geschut stellen, er de goede richting aan geven; de koers stellen naar het vaderland; de zeilen stellen, naar de wind stellen, zo plaatsen als de richting en de kracht van de wind het nodig maken;
15. (overg.) (Zuidn.) van werktuigen, met betr. tot hun onderdelen: in orde, in gereedheid brengen, klaarmaken: een zaag stellen;
16. (overg.) schikken, regelen, in orde brengen, klaarspelen: ik vreesde dat ik het alleen hier niet stellen zou; hoe stelt zij het zonder meid? hoe maakt zij het hoe regelt zij alles?; hij kan het goed stellen , hij is nogal bemiddeld; het met iets of iem. kunnen stellen, het met iets of iem. kunnen klaarspelen: kun je het op den duur niet met haar stellen, dan moet zij weg; we kregen twee boterhammen, en daarmee konden we ’t stellen; ik kan het buiten jou wel stellen; ik kan het best met hem stellen, met hem vinden; veel te stellen hebben met iem. of iets, veel te doen, veel moeite hebben met iem. of iets; (Zuidn.) niets te stellen hebben met iem. of iets, te maken, uit te staan hebben;
17. (overg.) (inz. Zuidn.) (het) maken, varen: hoe stelt zijn vrouw het?; ik hoop dat gij het goed stelt;
18. (overg.) op schrift brengen: iets op papier stellen; iets te boek stellen, het opschrijven; op rekening stellen, debiteren, (ook) ten laste leggen aan;
19. opstellen: (overg.) een brief, request stellen; — (abs. of onoverg.) hij stelt goed, heeft een goede stijl;
20. (overg.) met betr. tot mondelinge uitingen, b.v. van een vraag, die doen: een vraag stellen; stel je zelf de vraag of ik je gelukkig kan maken; een kwestie, een alternatief stellen; een motie van wantrouwen stellen;
21. (overg.) voorschrijven: iem. de wet stellen, voorschrijven hoe hij handelen of zich gedragen moet; eisen, voorwaarden stellen;
22. (overg.) vaststellen, bepalen: een termijn stellen; het bezoekuur was nogal vroeg gesteld; de markt, de koers, de prijzen stellen; een prijs op iemands hoofd stellen, een beloning uitloven voor hem die die persoon dood of levend aanbrengt; hoge prijs op iets stellen, iets op prijs stellen, er hoge waarde aan toekennen; op alle overtredingen zijn bepaalde straffen gesteld;
23. (overg.) schatten, begroten, rekenen, taxeren: de verliezen worden op twee duizend man gesteld;
24. (overg.) achten, waarderen: zijn eigen belangen hoger stellen dan die der gemeenschap; iem. hoog of laag stellen;
25. (overg.) achten, menen: iets als onwaarschijnlijk stellen;
26. (overg.) onderstellen, aannemen: stel eens, dat gij in mijn plaats waart; gesteld, dat dit zo ware; stel dit een ogenblik gelijk;
26. (rechtst.) beweren: een feit stellen, iets in rechte stellen.