Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

En

betekenis & definitie

I. aaneensch. vw., verbindt woorden en zinnen, hetzij om een begrip eenvoudig aan een ander toe te voegen (een glas en een kopje), of er bij op te tellen (twee en twee is vier), hetzij om een nauwer verband aan te duiden, b.v. van dingen die bij elkaar behoren (haar en baard) of in vaste verbindingen: af en aan; door en door; — (gew., Zuidn.) twee en twee, twee aan twee; — bij comparatieven om een geleidelijke versterking uit te drukken: al verder en verder; zachter en zachter; — in een reeks alleen voor de laatste term: Jan, Piet en Klaas; om twee of drie begrippen nadrukkelijk als in het verband begrepen aan te duiden wordt en met de klemtoon voor ieder afz. geplaatst: èn hij èn jij zijn schuldig; hij kreeg èn boete èn gevangenisstraf; — als inleiding op een tegenst. zinsverband: en toch; (veroud.) en echter; — ook gebezigd aan het begin van zinnen die een verrassing of teleurstelling uitdrukken: en waarom doet ge het niet? en ik heb het zo streng verboden! en ik heb het zelf gezien! — voor vraagzinnen als aanmoediging tot een antwoord: en, hoe gaat het er mee? ook elliptisch: en? (vul aan b.v.: wat antwoord brengt ge?); — als aanloopje, vooral in rijmpjes en volksliedjes: en was ik maar nooit getrouwd, dan enz.; — vroeger ende, in de bijbel ook aan het begin (hebraïsme): ende 't woord des Heren geschiedde (Jona 1:1); — [Opm.: na en gebruike men geen inversie als men het onderwerp herhaalt, dus niet: wij gingen een dagje uit en hadden wij allen veel pleizier („Tante-Betje-stijl”)].

II. bw. v. ontkenning, thans nog in Z.-Nederl.: ’t en zal; meestal met niet verbonden: ’k en doe het niet; — vgl. tenzij (het en zij = zij het niet), tenware (het en ware = ware het niet); ik en weet het niet; hij zegt dat hij het niet en doet. III. (Fr.), vz., in, in uitdr.: en avant, voorwaarts, vooruit; — en badinant, schertsend; — en bagatelle, als een kleinigheid, als iets dat niet telt; — en bloc, alles bij elkander, gezamenlijk; — en corps, allen gezamenlijk; — en dépôt, in bewaring; — en détail, in het klein (verkopen); — en face, tegenover, van voren; — en familie, in de kring van het huisgezin, familiaar; — en gala, in feestgewaad; — en gros, in het groot (verkopen); ook in samenst.: en-gros-bedrijf;en miniature, in het klein; — en passant, in het voorbijgaan, terloops; — en profil, van ter zijde gezien; — en route, op weg; onderweg; — en suite, achter elkander, achtereenvolgens; — en vogue, in zwang, in de mode, gezocht, in trek; — en train, op dreef (zie ook Entrain).