Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Leven

betekenis & definitie

(leefde, heeft geleefd),

1. (van organische wezens) zich in de toestand bevinden waarin de verschillende functies en eigenschappen die te zamen het ,,leven” vormen aanwezig zijn, niet dood, in leven zijn: uw goede vriend leeft niet meer; sommige planten leven niet langer dan 14 dagen; — zo waar {als) ik leef! bevestigingsformule; — in leven en {in) sterven, altijd; — met inwendig object: een leven leven, zó leven als de bep. bij het zn. aangeeft; laat het diertje leven, dood liet niet — (spr.) het is te weinig om {van) te leven en te veel om te sterven, ’t is bitter weinig: — hij weet van voren niet, dat hij van achteren leeft, hij is aartsdom; — die weet ook dat hij leeft, die heeft ook ’s levens lasten te dragen: — ook van een zuiver geestelijk bestaan: zo waar als God leeft; ik weet dat mijn Verlosser leeft; — eeuwig leven, zalig zijn; hoop doet leven;
2. (fig.) van zaken: de kunst leeft door innerlijke beweging; — dat
7. onaangeroerd ergens zijn, rusten: dat bier moet nog een paar maanden liggen, voor je het kunt drinken; — laten liggen, achterlaten: ik heb dat boek laten liggen; — (fig.) het lelijk (enz.) laten liggen, het er slecht afbrengen, een slecht figuur maken; — iets hebben liggen, iets bezitten dat men op het ogenblik niet gebruikt: ik heb honderd gulden liggen, kun je die gebruiken, dan zijn ze tot je dienst;
8. overwonnen, machteloos zijn: hij ligt er!; iem. hebben liggen; — de zaak, het geval ligt er toe, het is nu eenmaal zo;
9. gaan liggen, rustig, stil worden: de wind ging liggen;
10. vertoeven, verblijf houden: ergens thuis liggen, in de kost zijn; ter school liggen; — in garnizoen, in bezetting liggen; de Spanjaarden lagen reeds enige weken voor Haarlem; — geplaatst zijn: de lijn die in dit vlak ligt; dat ligt nog in ’t verschiet; — het ligt zus of zo, is er zo mee gesteld;
11. liggen aan, afhangen van: dat ligt aan hem; — ook: te wijten zijn aan: dat lag aan verscheidene oorzaken; vgl. Gelegen;
12. (met dat.) overeenkomen met iemands gewoonte of karakter: dat ligt mij niet, dat gaat mij niet af;
13. (Zuidn.) met iets liggen, het hebben: ze liggen met de duiten;
14. met verwisseling van subject: dat bed ligt hard, het voelt hard als men er op ligt.