Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

SPEL

betekenis & definitie

o. (-en, in sommige bet. (10., 12., 15.) -len),

1. vrolijke of opwekkende bezigheid tot vermaak of ontspanning, inz. een ontspanning die aan zekere regels is gebonden : de spelen der kindsheid; — als vertoning: brood en spelen ; — als manifestatie en w edstrijd: de Olympische spelen; — spel dat door het geluk wordt beheerst en om winst gespeeld wordt: grof spel, om een hoge inzet; winnen, verliezen in of bij het spel; gelukkig zijn in het spel, daarbij winnen ; (zegsw.) gelukkig in het spel, ongelukkig in de liefde ;iets op het spel zetten, tot inzet maken, er om spelen; (fig.) zijn naam,zijn leven, alles opt spel zetten, ergens bij wagen ; — geen zuiver spel, niet eerlijk bedoeld; dat komt mee in het spel, dat moet er bij gerekend worden ; — dat blijft buiten spel, wordt niet meegeteld, blijft buiten beschouwing ; buiten spel blijven, niet meedoen ; buiten spel (sport), zie Buitenspel (daar moet worden toegevoegd, na tegenstander: terwijl er zich minder dan een bep. aantal spelers bevinden tussen de speler en de doellijn van de andere partij); — iem. vrij spel laten, de nodige vrijheid laten; — het spel breken, de zaak bederven ; — dat was voor hem een spel, een kleinigheid, hij deed dat zonder moeite ; — hij maakt van alles een spel, hij durft alles ondernemen, (ook) niets neemt hij ernstig op;
2. het tegengestelde van ernst: het is maar spel, het is niet uit ernst; de grenzen van spel en ernst; — een spel met iem. drijven, hem voor de gek houden;
3. vrije, aan afwisseling rijke of dartele werking van een orgaan; functie : het spel der ogen, der gebaren; een spel der verbeelding;
4. hetgeen er te doen is, hetgeen er omgaat, bedrijf, gedoe (doorgaans afkeurend of spottend): heeft dat spel nu nog niet lang genoeg geduurdkort spel maken met, korte metten maken met, er spoedig een eind aan maken; op het eind van ’t spel, tenslotte;
5. last, moeite, drukte; meestal in de vorm spul: spul met iets hebben;
6. het spelen op het toneel: het spel van die acteur was bijna volmaakt; — het spel is aan de gang (Zuidn. ook: op de wagen), de poppen zijn aan ’t dansen ;
7. toneelstuk ; thans nagenoeg alleen in titels: Allerzielen, een zinnebeeldig spel in drie bedrijven, titel van een werk van Heijermans ; — in het spel zijn, een rol spelen; in het geding zijn; het onderwerp vormen: er kunnen nog andere drijfveren in het spel zijn geweest; de hand mee in ’t spel hebben, er ook bij betrokken zijn ; de duivel is mee int spel, het loopt verbazend tegen; — (zegsw.) 't is of het spel spreekt, gezegd als iem. verschijnt of iets gebeurt op een bijzonder gelegen of ongelegen moment;
8. het bespelen van een of ander muziekinstrument; — wijze van spelen: virtuoos, geacheveerd spel; zijn spel werd algemeen bewonderd;
9. iets waarmee gespeeld wordt, speelbal: het schip was ten spel aan wind en golven, dreef stuurloos rond ; — een spel van wind en golven zijn, op de onstuimige zee rondzwalken;
10. stel benodigdheden voor een spel in de bet. (1.): spellen van niet meer dan 32 kaarten;
11. de kaarten die een speler toegedeeld krijgt: hij laat zijn spel zien;
12. partij die men speelt: wij hebben twee spellen gedaan; nog een spelletje maken?

het spel winnen ; zijn spel gewonnen geven, ook fig., verklaren dat men het verloren heeft; — gewonnen spel hebben, iets gewonnen, zijn doel bereikt hebben;

13. manier waarop men speelt; dat was uw spel, mijn spel zou zijn...;
14. stand tijdens het spelen ten opzichte der medespelers: het spel voor iem. opnemen, uitspelen; een mooi, sterk spel hebben, het gemakkelijk kunnen winnen;

zijn spel staat lelijk, is zwak, hij heeft weinig kans te winnen ; — een gewaagd, een gevaarlijk spel hebben, (flg.) veel kans hebben het te verliezen; — hij heeft het spel in handen, hij is meester van het spel, hij kan het vinnen als hij wil, (fig.) hij is de baas, kan het regelen, zoals hij wil;

15. kermistent, inz. een zodanige waarin vertoningen plaats hebben : op de kermis zijn vier spellen;
16. (Zuidn.) dansgelegenheid op de kermis;
17. geheel van benodigdheden voor een bedrijf of gebruik; goed, bezit, boel; in N.-Ned. in de vorm spul: (gew.) een spel breinaalden, een stel;
18. (Zuidn.) speling: dit paneel heeft te veel spel.