Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Worden

betekenis & definitie

(werd, is geworden),

1. beginnen te zijn, ontstaan: God zeide: daar zij licht en daar werd licht (Gen. 1:3); — in onpers. gebr.: het wordt laat, koud, warm; het wordt vrede; — ivat zal daaruit worden? wat zal het resultaat zijn ?
2. overgaan in een andere zijnstoestand, komen in zekere toestand: hij wordt arm, rijk, dik, groot, ziek: wat is er van hem geworden? welk lot heeft hem getroffen ? kinderen worden mensen;dat wordt niets, daar komt niets van terecht: — zij worden het eens, komen tot dezelfde mening, hetzelfde gevoelen; — ter aanduiding van het bereiken van een tijdstip : het wordt morgen een week, morgen is het een week geled
3. (in een bijz. toepass.) het genoemde beroep, ambt kiezen, resp. daarvoor opgeleid worden: hij wordt timmerman, smid, dokter, officier; hij wordt minister, men heeft hem tot minister benoemd :
4. hulpwerkw. van de lijdende vorm : hij wordt geprezen, gestraft; het wordt gebakken ;
5. (onpers.) er wordt gedanst, gezongen, dansen, zingen heeft daar plaats.