Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Hoofd

betekenis & definitie

o. (-en),

1. het bovenste deel van het menselijk lichaam, welks geraamte de schedel is en dat dooide hals met de romp is verbonden: een groot, een klein, een dik hoofd;wat heeft hij een ogen in zijn hoofd, welke sprekende, vurige ogen; — iem. van het hoofd tot de voeten opnemen (of bekijken), hem nauwkeurig opnemen; — als maat: hij is een hoofd groter dan ik, zoveel als een hoofd hoog is ; — het hoofd schudden, teken van afkeuring of om iets te ontkennen; — men kon er wel over de hoofden lopen, de vele mensen stonden dicht opeengepakt; — zich een kogel door het hoofd jagen, zich voor het hoofd schieten, zich doodschieten; iem. het hoofd voor de voeten leggen, hem onthoofden ;

bep. het bovenste deel van het hoofd, de schedel: een kaal hoofd; spijt hebben als haren op zijn hoofd; een mooi hoofd met haar; het hoofd ontbloten, zijn hoofddeksel af nemen als bewijs van eerbied ; — een zeer hoofd, met een huidziekte, kletskop ; zich een gat in het hoofd vallen (stoten enz.) ; — ik heb het vreselijk in mijn hoofd, ik heb erge hoofdpijn; — aangezicht: een hoofd als een boei; zijn hoofd wordt rood van schaamte, hij bloost; — (scherts.) hij had een sigaar in zijn hoofd, zijn mond; —zegsw. : het hoofd laten hangen, neerslachtig zijn, de moed verliezen ; — het hoofd opbeuren, moed vatten;

met opgeheven (of opgerichten) hoofde, vol zelfvertrouwen, lier ; met het hoofd in de nek, met een verwaande houding, opgeblazen ; — een zwaar hoofd in iets hebben, de zaak donker inzien; het hoofd staat hem verkeerd (of dwars, niet goed), hij is slecht geluimd; — zijn hoofdje staat op zij, hij is goed gemutst; — het hoofd naar iets hangen, zijn gezindlieden tot iets neigen; — er hangt hem iets boven het hoofd, hij heeft gevaar te duchten ;

wat zal mij nog over het hoofd waaien, welke ongelukken staan mij nog te wachten; — dat is hem lelijk tegen zijn hoofd gewaaid, dat heeft hij lelijk moeten bezuren; — hij heeft het hoofd gestoten, hij is in zijn pogingen niet geslaagd; — iem. voor het hoofd stoten, hem onvriendelijk' bejegenen, hem kwetsen ; — hij stond als voor het hoofd geslagen, verslagen ; — iem. een verwijt (beschuldiging, belediging) naar het hoofd slingeren, hem verwijtingen doen enz. ; — men kan met zijn hoofd niet door de muur lopen, men kan het onmogelijke niet doen; — iem. het hoofd bieden, zich tegen hem verzetten; — het hoofd in de schoot leggen, zich onderwerpen ; — het hoofd boven water houden, zich staande houden (inz. als koopman), niet (financieel) te gronde gaan; — iem. boven het hoofd groeien, groter worden dan hij is; (fig.) zijn meerdereworden ; — die onderneming is mij over het hoofd gewassen, gaat mijn krachten te boven, ik kan haar niet meer meester blijven; — iets over het hoofd zien, het vergeten, er niet op letten; — (Zuidn.) hoofd over gat, dooreen, verward; — de hoofden bij elkaar steken, zich onderling verstaan; — twee hoofden onder één kaproen, gezegd van personen die het volkomen eens zijn, vooral als er sprake is van een boze toeleg; — zijn hoofd nederleggen, sterven ; — het zal hem zijn hoofd kosten, het geldt zijn hoofd, zijn leven is er mede gemoeid; — ik verwed er mijn hoofd onder, gezegd als men niet twijfelt aan de waarheid van iets ; — al stond hij op zijn hoofd, al deed hij het onmogelijke; — vurige kolen op iemands hoofd stapelen;

2. het hoofd als zetel van het denkvermogen, de wil, de zin enz.: het hoofd vol hebben van iets; een hoofd vol zorgen; hij heeft grote plannen in zijn hoofd, grootse voornemens; — het wil hem niet in het hoofd, hij kan het niet vatten, niet begrijpen; — iets uit het hoofd leren, kennen enz., van buiten ; een hoofd als een ijzeren pot, een zeer sterk geheugen; — hij heeft een goed (een helder) hoofd, een vlug verstand; — zich het hoofd niet met iets breken, er zich niet moeilijk over maken, er niet over tobben; — breek me het hoofd niet langer, plaag mij daar niet mee ; — maal mij niet aan het hoofd, zeur daar niet langer over; — als het buikje vol is, dan is het hoofdje blij, als men goed gegeten en gedronken heeft, voelt men zich behaaglijk; — de wijn stijgt (of vliegt) hem naar het hoofd, benevelt zijn gedachten; — het hoofd loopt mij om, (ook) ik weet niet waar mijn hoofd staat, de beslommeringen overstelpen mij; — mijn hoofd staat er niet naar, ik ben niet in een stemming daarvoor ; — die melodie maalt (of speelt) mij door het hoofd, komt mij telkens in de gedachten; — iem. in het hoofd komen, bij hem opkomen; — zich iets in het hoofd zetten, het zich vast voornemen; ook: er voortdurend aan denken of het zich inbeelden; hoe krijgt (of haalt) hij het in zijn hoofd!, hoe komt het bij hem op ; — ik zal die gekheid wel uit mijn hoofd laten, niet zo dwaas zijn dat te doen; — dat is mij geheel door het hoofd gegaan (of gewaaid), het is mij uit het geheugen gegaan, ik heb er volstrekt niet om gedacht; — dat laat ik mij niet uit mijn hoofd praten, die gedachte houd ik vast, wat men ook moge zeggen; — dat zou ik maar uit mijn hoofd zetten, uit de gedachten stellen, daarop zou ik maar niet hopen; — veel op zijn hoofd zetten, verwaand zijn; niet wel bij (of in) het hoofd zijn, niet bij zijn verstand zijn ; — hij is geraakt (getroffen enz.) in zijn hoofd, hij is krankzinnig ; — dat verlies is hem in het hoofd geslagen, heeft hem zijn verstand doen verliezen; — het hoofd verliezen, niet weten hoe zich uit de moeilijkheid te redden en daardoor allerlei gekke dingen doen; — iem. het hoofd op hol brengen, zie Hol (III); — iem. het hoofd warm maken, zijn driften gaande maken, hem ophitsen, verbitteren;

3. zijn eigen hoofd volgen, zijn eigen inzicht volgen, niet naar anderen luisteren; — hij heeft een hoofd, is koppig, eigenzinnig; — zijn hoofd tonexi, koppig, stijfhoofdig zijn ; — zijn hoofd is gebroken, zijn koppigheid (of zijn drift) is. voorbij ; — een garnaal heeft ook een hoofd, scherts, gezegd als een kind zich koppig toont (woordspeling met 4.);

4.(overdr.) persoon: we moeten de hoofden tellen, het aantal personen; — zoveel hoofden, zoveel zinnen, zoveel mensen, zoveel meningen; — (w. g.) ’t is moeilijk alle hoofden in één zak te krijgen, allen voor hetzelfde plan te winnen ; — per hoofd, voor ieder persoon : wij betaalden f 3 per hoofd ; — een gekroond hoofd, een vorst; — een hard hoofd die het beleeft, het kan nog lang duren, eer dat gebeurt; — (van dieren) stuk vee : (Zuidn.) het beste hoofd, (eig.) het beste stuk vee uit de nalatenschap, (thans) successierecht: de erfgenamen hebben zes maanden tijd om het beste hoofd tebetalen; het beste hoofd bedroeg f SOO ; —

bij dieren heet dit lichaamsdeel meestal kop, doch bij paarden spreekt men ook wel van hoofd: een paard met een recht hoofd, met een hazenhoofd, een schaapshoofd, een oudwijvenhoofd enz.; eertijds was hoofd voor kop van een dier gewoon, vgl. b.v. zwijnshoofd, hoofdkaas-

5. (bij vergelijking) het hoofd van een spijker, (gewoner) de kop; — (molenm.) het hoofd van de as, het voorste gedeelte, waardoor de molenroeden gestoken zijn en waarop de dunnere hals volgt; — (art.) verloren hoofd, bü het gieten van een kanon, een dikke en hoge giettap aan de schacht, die vóór de uitboring afgezaagd wordt;

vooruitstekende landspits, kaap ; (waterb.) het hoofd van een brug, het in het "water uitgebouwde stuk, waarop de eigenlijke brug rust; (in een haven enz.) uitgebouwde steiger of losplaats, waarbij de schepen aanleggen; ook pier, golfbreker, ver in zee uitstekende waterkering, b.v. aan weerskanten van een haveningang, langs het strand enz.; — de steen dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks (Matth. 21 : 42), tot een hoeksteen; — (houtz.) de dwarsbalk aan de beide einden van de slede die het hout voor de zagen schuift, (ook) het uiteinde van het zaagraam;

(touwsl.) dikke dwarsplank met gaten, aan de voorstijlen van de uithaalwagen bij het slaan der strengen; (scheepst.) de hoofden der luiken, de opstaande randen ;

(landb.) het hoofd van de ploeg, het op de grond rustende stuk hout, waaraan de ploegschaar is bevestigd; het hoofd van een komeet, de kern met de coma; — (ontl.) het uiteinde van de mannelijke roede; het bovenste deel van een spier;

6. het bovenste, het hoogste gedeelte van iets : het hoofd van de tafel, het hogere eind, waar de ereplaats is; — (wapenk.) het bovenste gedeelte van het schild (Fr. chef), ook als benaming van zeker herautstuk, het door een horizontale streep afgescheiden bovenste derde part van het schild, meestal schildhoofd genoemd: in zilver een (schild)hoofd van keel; — (van geschreven en gedrukte stukken) het hoofd van een brief, van een rekening, van een staat, van een folio in een grootboek enz., het op- of bovenschrift enz.: ik zal hem een eigen hoofd in het boek geven, het aan hem geleverde afzonderlijk boeken; zet het maar op zijn hoofd, laat het op zijn naam overschrijven ;
7. wat vooraan is, het voorste deel van iets: het hoofd (gewoonlijk de kop) van een stoet; — hij ging aan het hoofd der troepen (der colonne enz.), liep aan de spits;

(oneig.) hij stelde zich aan het hoofd der beweging, nam de leiding op zich; de koning staat aan het hoofd der regering, is de leider, de opperbestuurder; — (van stukken, brieven enz.) het bovenste gedeelte : de grossen voeren aan het hoofd de woorden : ,, In naam des Konings” (art. 430 W. v. B. Rv.); — aan het hoofd der dagvaarding, vóór het eigenlijke lichaam der dagvaarding, waar kopie van rekeningen, wissels enz. geplaatst wordt;

8.uit dien hoofde, om die reden, deswege: gij hebt mij belogen, uit dien hoofde ontsla ik u; — uit hoofde van, wegens, op grond van : uit hoofde van onze oude vriendschap doe ik een beroep op uw medewerking; — (gew.) uit eigen hoofd, op eigen gezag;
9. (van personen) iem. die boven anderen staat, gezag over hen heeft, meerdere : de man als hoofd der echtverbintenis (B.W., art. 195); het hoofd van het gezin, de heer des huizes;

de Paus is het hoofd der R.-K. Kerk ; — hij is het hoofd van zijn geslacht, de oudste afstammeling van de oudste tak; — aanvoerder, opperhoofd: het hoofd der bende; een aantal Indianen, onder wie verscheidene hoofden; — inlands hoofd, bestuurder uit de inlandse bevolking, onder Nederl. oppergezag, in O.-Indië; hoofd van plaatselijk of gewestelijk bestuur, hoogste Europese ambtenaar in een plaats of gewest; — hoofd van dienst, titel van hoge ambtenaren op de departementen en elders ; het hoofd der school, de besturende onderwijzer.

In tal van samenst. dient hoofd om aan te wijzen dat de (het) voornaamste, belangrijkste in zijn soort of groep wordt bedoeld, b.v. hoofdaanval, -as, -bedoeling, -bedrijf, -beginsel, -begrip, -bezigheid, -bezwaar, -brandpunt, -denkbeeld; -deugd, -deur, -gang, -gebouw, -gebrek, -gedachte, -getuige, -grond, -indruk, -ingang, -inkomsten, -middel, -neiging, -ondeugd, -oorzaak, -schuldige, -vereiste, -zwarigheid enz. enz. ; — in andere ter aanduiding dat de instelling of de persoon een leidende functie heeft: hoofdadministratie, -bestuur, -bureau enz.; hoofdaanvoerder, -agent, -ambtenaar, -commies (aan een ministerie), -commissaris (van politie), -conducteur, -conmies, -deken (van een kerk), -ingeland, -ingenieur, -inspecteur, -officier, -opzichter, -redacteur, -verpleegster enz.