Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Voet

betekenis & definitie

m. (-en),

1. lichaamsdeel waarop men staat, het naar voren gerichte onderste gedeelte (of liever de voortzetting) van het been beneden de enkel, door een gewricht er mee verbonden, bij de mens en bij sommige dieren : de mens en de vogels hebben twee voeten; grote, kleine, fijne, lompe voeten; zijn voet is verstuikt: — blote voeten, niet bekleed met kousen (of schoenen); — met de bekleding : de voeten vegen, het schoeisel op een mat af vegen door schuiven met de voet; — als voortbewegingsorgaan : je moet je voeten goed oplichten bij het lopen ; op handen en voeten kruipen ;de zieke kan geen voet verzetten, in ’t geheel niet lopen ; — ik kan geen voet verzetten of hij bemoeit er zich mee, hij bemoeit zich met al mijn doen en laten : — geen voet buiten de deur zetten, niet uitgaan ; — ik zet daar geen voet meer in huis, ik wil hen niet meer bezoeken ; — voet aan wal zetten, landen ; — te voet reizen, al wandelende, lopende ; — (vero.) te voet dienen, bij de infanterie ; — het leger te voet, het voetvolk, de infanterie ; — van het hoofd tot de voeten gewapend, geheel en al, zwaar gewapend ; — (schild.) een portret ten voeten uit, waarop de persoon geheel staat afgebeeld; —(in zegsw.) de voeten, onder iemands tafel steken, in zijn dienst en tevens in de kost zijn ; — met de ene voet in het graf staan, reeds oud en afgeleefd zijn ; — iem. (voor iem.) te voet vallen, voor hem knielen (oorspr. zijn voet grijpen) als teken van onderwerping of om iets af te smeken ; — iem. voeten maken, op de vlucht jagen ; — zich uit de voeten maken, vluchten ; — uit de voeten kunnen, voort kunnen, zich goed kunnen bewegen ; uit de voeten zijn, afgedaan, van de vloer ; — iem. de voet lichten, hem aldus doen vallen, (fig.) hem onderkruipen : — iem. de voet dwars zetten, hem in zijn pogen belemmeren, tegenwerken ; — de overwonnenen de voeten spoelen, hen in zee verdrinken; — natte voeten hebben, dronken zijn ; — iem. op de voet volgen, van nabij ; een betoog (e.d.) op de voet volgen, punt voor punt nagaan ; de straf volgde de misdaad op de voet, bleef niet lang uit; — er met vuile voeten doorgaan, recht op het doel af, hardhandig ; — iem. iets voor de voeten gooien, het hem verwijten : — ergens (vaste) voet krijgen, zich er een plaats of stelling veroveren ;voet krijgen, een positie, invloed of steun krijgen ; — iem. (in het kwade) voet geven, sterken, stijven : — een voet in de stijgbeugel hebben, zie bij S. ;het heeft heel wat voeten in de aarde, het kost heel wat moeite ; — dat gaat zo ver als het voeten heeft, als het reikt, geldigheid of kracht heeft: — voet bij stuk houden, niet wijken, niet loslaten ; (ook) van zijn onderwerp niet afdwalen ; — onder de voet raken, in een grote menigte vallen en vertreden worden ; ook : ziek of ziekelijk zijn of worden, kwijnen : — (w. g.) iem. onder de voet houden, in bedwang houden, hem onderdrukken : — men kan niet met twee voeten tegelijk schoppen, niet alles tegelijk doen, niet gaan en thuisblijven; — iets met de voet stoten, verwerpen, afwijzen ; — iem. met voeten trappen, hem gewelddadig vernederen ; — de wet met voeten treden, (moedwillig) volstrekt in strijd er mee handelen ; evenzo: zijn geluk met voeten treden ; Jozindes stug gemoed, treedt, met haars vaders roem, haar eigen met den voet (Staring); — iets onder de voet halen, het afbreken, slopen ; — de grond brandt mij onder de voeten , van ongeduld kan ik niet langer blijven ; — >em. het gras voor de voeten wegmaaien, zie Gras : — zich met handen en voeten tegen iets verzetten, met alle kracht ; — handen en voeten zijn hem gebonden, hij is geheel machteloos ; iem. op vrije voeten stellen , de vrijheid geven ; — iemand voor de voet komen, onverwachts, ongezocht binnen zijn blik of bereik komen : hij liep, ten derde maal, mij klakloos voor den voet (Staring): — voor de voet weg iets geven, verkopen, zonder te keuren of uit te zoeken : — (jag.) voor de voet jagen, alleen of met klein gezelschap zonder drijvers jagen en het wild opzoeken : — op staande voet, dadelijk ;
2.(meton.) deel van een kous dat de voet bedekt: nieuwe voeten aanbreien ; (breist.) de voet zetten, in de voet minderen :
3. (meton.) afdruksel van een voet: er staan voeten in het zand; vuile voeten op een kleed maken ;
4.(bij vergel.) spierachtige verdikking der huid bij de weekdieren die tot bewegingsorgaan dient: de slijmige voet der slakken : — de baard der schelpdieren ; — (plantk.) de voet van een bol, de schijf;
5.(slag.) vierde deel van een stuk slachtvee : een geslachte koe wordt aan 4 voeten vervoerd, n.I. twee achtervoeten en twee voorvoeten ; een voet vlees in de kuip hebben :
6.deel van iets dat tot steun er van dient, het onderste gedeelte van iets (ook zonder gedachte aan steunen): de voet van een zuil, een tafel, een glas, een lamp ; aan de voet van een berg, een dijk, een boom ; — aan een boom ook voor het wortelstelsel; — aan de voet van de brief, onderaan, op het einde ; ophelderende aantekeningen aan de voet der bladzijden ;
7.oude lengtemaat, by ons thans alleen nog in vaktaal (vooral bij timmerlieden, scheepsbouwers en zeelieden) in gebruik; in opgaven aangeduid door één accentteken : 2'4" = twee voet, vier duim ; — een Amsterdamse voet = 283 m ; een Ri jnlandse voet = 0.314 m ; een Engclsevoet = 0.3047 m (1000 voet thans gesteld op 300 m); die plank is 10 voet lang en 1 voet breed ; drie voet in ’t vierkant; — geen voet wijken, toegeven, in ’t geheel niet; — op geen voeten of vamen, op geen stukken na ;
8.versvoet, elk der delen waarin een vers op grond van accent of van getal van lettergrepen verdeeld wordt: de alexandrijn is een regel van 6 voeten ;
9.maatstaf, grondslag waarnaar iets is ingericht of wordt behandeld : alles is weer op de oude voet, zoals het vroeger geweest is; — op grote voet leven, veel geld uitgeven : — op gelijke voet met elkander omgaan, als gelijken : — de zaak zal op dezelfde voet worden voortgezet, op dezelfde wijze ; zij staan op goede, vertrouwelijke voet met elkander, zij gaan goed, vertrouwelijk met elkander om; — op een gespannen voet met iem. staan, niet vriendschappelijk, zo dat de goede verstandhouding licht verbroken wordt; scherts, ook met betr. zaken : er niet in thuis zijn, er niet mee weten om te gaan ; — op voet van vrede, van oorlog, zoals bij vrede, resp. oorlog (in ’t bijz. met betr. tot de getalssterkte van troepen); — alles was er op Franse voet ingericht, zoals de Fransen gewoon zijn;
10. wijze van muntberekening, muntvoet.