Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Huis

betekenis & definitie

HUIS, o. (huizen), gebouw om in te wonen : een groot, een klein huis; een oud huis; een vochtig huis; een houten, een steenen huis; een huis van drie verdiepingen; een dubbel, een enkel, een anderhalf huis, een huis met ruime kamers aan weerskanten van de gang, aan één kant van de gang, met kleine vertrekken aan één der beide zijden;

— een huis bouwen, koopen, huren; een huis met tuin; huis en hof, zie HOF;
— huis noch kluis was er te zien, geene menschelijke woning hoegenaamd;
— huis noch kluis hebben, verlaten ronddolen;
zij is het huis uitgejaagd;
hij trad het huis binnen;
— een gesloten huis, woonhuis waarin geen winkel wordt gehouden;
— een huis als eene kerk, als een kasteel, zeer groot huis;
huizen op iem. bouwen, veel vertrouwen in hem stellen;
— met de deur in huis vallen, zonder inleiding dadelijk het doel zijner komst vertellen;
— zijn huis voor iem. sluiten, hem zijn huis verbieden, ontzeggen, hem uitsluiten van het verkeer in zijne woning en zijn gezin;
— het geheele huis was op stelten, alles was in rep en roer;
— hij sprong huizen hoog, hij was zeer verheugd;
— huis aan huis, overal;
— daar is dak op het huis, (in Zuidn.) daar zijn latten aan het huis, er zijn luisteraars in de buurt;
— op het huis passen. toezicht houden terwijl de bewoners afwezig zijn;
— elk huis(je) heeft zijn kruis(je), ieder heeft zijn leed;
— huizen aan den weg timmeren, voor ieders oog, in ‘t openbaar te werk gaan, publiek optreden;
— bij huis blijven zich niet ver verwijderen;
— van huis, op- of onderschrift van een brief, aan de dagteekening voorafgaande;
— niet van huis kunnen, aan huis en huisgezin gebonden zijn;
— die in een glazen huis woont, moet geen steenen op zijn buurmans dak gooien, onderneem niet iets, dat voor u zelf kwade gevolgen kan hebben;
— zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kasteelen, de beoefening dezer deugden is de grondslag van rijkdom;
— hij houdt het huisje bij het schuurtje, hij is spaarzaam in het groote en in het kleine, gaat in alles met overleg te werk;
— huizen zijn kruizen, het bezit van huizen geeft veel beslommering en verdriet;
— hij kent geen letter, zoo groot als een huis, hij kan volstrekt niet lezen;
— (ter aanduiding van bepaalde soorten van huizen) : het huis des Heeren, de kerk of tempel, bedehuis, godshuis;
— het huis, de woning van den heer van het dorp, het kasteel: hij was op het huis genoodigd;
— het Huis ten Bosch, het slot in het Haagsche Bosch;
— weeshuis, armenhuis, ziekenhuis enz. : de vader van het huis; de onkosten werden door het huis gedragen;
— huis van verkoop mei recht van wederinkoop, soort van lommerd of particuliere bank van leening;
— huis van bewaring;
—huizen van ontucht, gemeene, publieke huizen, bordeelen;
— (gew.) huisje, gemakhuisje, sekreet: op het huisje gaan;
— (als woning van dieren): zelfs vindt de musch een huis, en de zwaluw een nest voor zich;
— het apenhuis; slangenhuis, vogelhuis, in dierentuinen;
— (inz.) de horen waarin de slak woont, slakkenhuis : de kinderen zoeken de slak door zingen uit haar huisje te lokken;
— (ook) het omhulsel der zijdewormen, cocon: van de huisjes der zijderupsen wordt de zijde afgehaspeld;
— (fig. van het menschelijk lichaam) ons aardsche huis, ons stoffelijk omhulsel;
— eene kap of afdak boven iets, inz. ter bescherming van een heiligenbeeld aan den weg, (ook) een van voren geopend gebouwtje daarvoor : een huisje voor Onze Lieve Vrouw;
— een heilig huisje, een kapelletje, (ook) herberg;
— men moet van het heilige huisje afblijven, alles is goed en wel, als men daarvan maar geen kwaad zegt;
— woning, verblijfplaats (zonder dat bepaaldelijk aan een gebouw wordt gedacht): te huis blijven; niet te huis zijn (zie verder THUIS);
ik ga naar huis, naar mijne woning;
— ik kom van huis;
— hij is ver van huis, ver weg, (ook) ver van zijn onderwerp afgedwaald;
— van huis, van ouder tot ouder, van geboorte en aanleg, in den grond : ’t is van huis uit een goede jongen;
— (inz.) het ouderlijk huis: zij kan niet van huis, als ze uit logeeren is, krijgt ze heimwee;
— ik heb naar huis geschreven, naar ouders of familie;
— (ook) plaats vanwaar men afkomstig is: waar hoort hij te huis ?, uit welke stad, welk land is hij afkomstig; ik herinner mij hem wel, maar ik kan hem niet te huis brengen (of ik weet hem niet te huis te brengen), ik kan mij zijn naam maar niet te binnen brengen;
— het huis als verblijf van het gezin : de heer (de wouw, de dochter) des huizes; de oudste dochter is in huis, maar de anderen zijn nog op kostschool;
— hij is er als kind in huis, wordt behandeld als een eigen kind;
— (ten opzichte van het ontvangen van vreemden) een gastvrij huis;
— mijn huis staat voor u open, gij kunt komen zoo vaak als ge wilt;
— ergens aan huis komen, er bezoeken brengen, er ontvangen worden;
— (Zuidn.) iemands deur, bel van zijn huis trekken, bij hem de deur platloopen, er veel komen ;
— (ten opzichte van het huisbestuur) goed huis houden, met overleg en zorg de belangen van het gezin behartigen;
— (fig.) er is geen huis met hem te houden, er is niets met hem te beginnen, men kan met hem niet goed omgaan;
— ergens leelijk huis houden, woest te werk gaan;
— de gezamenlijke bewoners van het huis : het heele huis was op de been;
— na groeten van huis tot huis, van mijne huisgenooten aan uwe huisgenooten (op ’t einde van een brief);
— familie, afkomst: hij is van goeden huize;
— geslacht, inz. vorstelijk geslacht : een aloud huis; het roemruchtig huis van Oranje; het Koninklijk huis; de graven van Holland uit het Henegouwsche huis;
— de gezamenlijke leden der hofhouding : het Huis des Konings;
— het Civiele en het Militaire Huis van H. M. de Koningin;
— de gezamenlijke afgevaardigden: het Huis der Gemeenten (of Lagerhuis), het Huis der Lords (of Hoogerhuis), in Engeland; het Pruisische Heerenhuis;
— eene belangrijke handelszaak, handelshuis : er is een groot huis bankroet; de vertegenwoordiger van mijn huis zal u eerstdaags komen bezoeken;
— (bij vergelijking) een papieren huisje, een zakje uit een opgerold stuk papier, peperhuisje; (ook) papieren puntzak;
— het huisje van een bril, het kokertje, of doosje er voor;
— het huis van een bijl (schop, gaffel, houweel enz.), de ijzeren koker of ring, waarin de steel sluit, ook oog of dille geheeten;
— het huis van een kompas, het omhulsel er van op een schip;
— het huis van een weegschaal, de vork waarin het juk is opgehangen en waartusschen het tongetje der balans heen en weer gaat: in het huisje wegen, precies het gewicht geven, niet te veel of te weinig, (ook fig.);
— het huisje van een waterpas, de uitsnijding in het grondvlak in den vorm eener ⋂
— de tapsche holte waarin de plug eener kraan draait;
— het lichaam van een hijschblok, dat de schijf of de schijven omvat;
— vaders huisje, de ruimte tusschen vaders knieën, waarin een kind komt staan;
— (sterr.) de oude benaming voor de teekenen van den dierenriem : de twaalf huizen der zon.