Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kerk

betekenis & definitie

KERK, v. (-en), gebouw aan den Christelijken eeredienst gewijd: eene Gothische kerk, kruis-, koepelkerk; het schip, het koor der kerk; hij ligt in de kerk begraven;

— (spr.) de kogel is door de kerk, er is niets aan te doen;
— de kerk in ’t midden (van het dorp) laten, weten te geven en te nemen, niet star op zijn stuk blijven staan; (ook) ieders belangen evenals de zijne goed weten te behartigen
— de kerk op den toren zetten, eene zaak verkeerd aanpakken
— je bent hier niet in de kerk, (ook) je bent zeker in de kerk geboren, gezegd tot iem., die de deur niet achter zich sluit;
— gebouw aan den Mohammedaanschen of heidenschen godsdienst gewijd;
— een huis als eene kerk, een zeer groot huis;
— eene kamer als eene kerk, zeer ruime en hooge kamer;
— kerken op iem. bouwen, veel vertrouwen in hem hebben
— kerken willen verzetten, het onmogelijke willen beproeven
— (plat gemeenz.) voor het zingen de kerk uitgaan, bij den coïtus vóór de zaadloozing zich terugtrekken;
— (zeew.) voorkajuit, van de eigenlijke kajuit door een schot gescheiden, logies onder ’t halfdek;
— godsdienstoefening: vandaag is er geen kerk, wordt er niet gepreekt; onder de kerk zijn de winkels gesloten, gedurende de godsdienstoefening; zij houden kerk in eene schuur; te kerk gaan; de kerk gaat aan, uit, begint, eindigt;
— kerkelijke gemeente, als persoon opgevat, die bezittingen kan hebben: deze kerk is zeer rijk; hij heeft zijn geheele vermogen aan de kerk vermaakt; de goederen der kerk administreeren;
— allen, die den Christelijken godsdienst belijden, als te zamen één geheel uitmakend: de hoofdsplitsing van de kerk was die in de Oostersche of Grieksche en de Westersche of Latijnsche kerk;
— een der verschillende kerkgenootschappen: hij behoort tot de Remonstrantsche kerk; de Luthersche kerk; de Anglicaansche kerk, de Britsche staatskerk;
— (Ind.) volgens de Chineesche kerk, naar men zegt, het gerucht loopt;
— in de R. K. kerk, het kerkelijk gezag een besluit der Kerk; waar de Kerk had gesproken, dorst hij zich niet verzetten;
— de strijdende kerk, de geloovigen, welke nog op aarde leven en strijd voeren tegen de zonde, het vleesch en den duivel;
— de lijdende kerk, de zielen der geloovigen, die in het vagevuur gelouterd worden;
— de zegepralende of triomfeerende kerk, de gelukzaligen in den hemel. KERKJE, o. (-s).