Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Geen

betekenis & definitie

GEEN, bepaald hoofdtelwoord waarin eene ontkenning ligt opgesloten (zelfst. en bijv. gebruikt) in deze beteekenis heeft het den vollen toon; (ontkennend onbepaald vnw. (zelfst. gebruikt); bij uitbreiding ook als ontkennend lidwoord der eenheid of als bijwoordelijke ontkenning gebezigd; niet eenig, niet één er is geen levend wezen, geen sterveling te zien;

— (spr.) er kraait geen haan naar, niemand zal het verraden, aan het licht brengen;
— nergens, nergens, voor geen venster is zij te zien; hij heeft geene moeite gespaard, geen gevaar ontzien;
— (in uitdrukkingen die eene versterkte ontkenning vormen) geen aasje; geen greintje; geen duit waard zijn; geen sikkepitje, geen zier, geen snars;
— er is geen mensch, die dat weet, niemand;
— dat is van nul en geener waarde (verbasterd uit nul en van geener waarde), nietig;
— in geenen deele, volstrekt niet;
— te geener tijd, ure, nooit;
— niet eenig, geenerlei: zij weten van geen wijken, zij wijken op geenerlei wijze;
— daar is geen praten tegen, daar valt volstrekt niet tegen te praten;
— in het geheel, zelfs, volstrekt, bijna, hoegenaamd geen;
— (w. g.) gansch geen, in het geheel geen;
— geheel geen, volstrekt geen;
— geen ander, niet eenig ander, niet één ander, of wel, niet een ander ik heb geene andere jas dan deze;
— het hof van mijn prins was zoo aardig als geen;
— geen ander, niemand anders;
— ik heb anders geene bezwaren dan die ik genoemd heb, geene andere;
— ik heb geen enkele reden om ontevreden op hem te zijn, niet één enkele;
— geen één, niet één, geen enkel;
— zelfstandig bepaald hoofdtelwoord en onbepaald vnw. niemand geen onzer, uwer, hunner, geen van beiden, geen van allen (ons, u allen); ach, geene, geene, vind ik ooit, die zoo me lieft, als gij;
— ontk. lidw. van eenheid: is het geen opstand tegen zijn rijksgebied ?; zoude ik aan Hem geen dank verschuldigd zijn ?; geen aanvang nemen, niet aanvangen;
— geen begrip hebben van, niet begrijpen;
— geen geheim maken van, niet verbergen enz.;
— de walvisch is geen visch;
— hij is geen Vondel, geen dichter als Vondel;
— kent ge ook een professor X ? neen, ik ken geen professor X;

— dat is geen Rembrandt, geen ets of schilderij van Rembrandt, (ook) geen schilder als Rembrandt;
— is dit geen Elzeviertje ? geen boek door Elzevier gedrukt;
— ik vind hier geen Göthe, niet de werken van Göthe;
— nog geen, minder dan na nog geen tien minuten; een kind van nog geen drie jaar;
— niet de, niet het: de ouden kenden geen kompas, kenden het kompas niet, waren onbekend met het kompas;
— hij heeft geen recht, dat te doen, heeft niet het recht;
— ik wil er geene hand naar uitsteken, er niets van nemen, (ook) er niet aan helpen;
— ik heb den heelen dag geen knie gebogen, de knieën niet gebogen, geen oogenblik gezeten;
— ik kan geen oog toedoen, ik kan mijne oogen niet toedoen, den slaap niet vatten wegens te groote drukte, onrust, overspanning enz.;
— hij heeft geen vin verroerd, niets gedaan, is onbeweeglijk blijven zitten;
— toen bestond er nog geene Bataaf sche republiek, bestond de Bataafsche republiek nog niet;
— (als bloote ontkenning) zijn dat geen uitvluchten dat zijn geen leugens;
— (voor namen van stoffen of abstracte begrippen) hij heeft geen geld; hij kan geen wijn verdragen; hij kent geen eer; iemand geen kwaad doen; geen rust of duur hebben; geen honger, geen dorst hebben; geen werk van iets maken; geen zin in iets hebben;
— (voor eigennamen) Jan zou het pakje bij mij afgeven, maar, hoelang ik ook wachtte, er kwam geen Jan, Jan kwam niet;
— gij geeft hem een verkeerden naam, hij heet geen Piet, hij heet niet Piet, maar anders;
— hij verstaat geen Latijn, maar wel Grieksch;
— in eenige zegswijzen in ongunstigen zin gebezigd dat is geen mensch, dat is een snood, ontaard mensch, een omnensch;
— dat is geen kost, een slechte kost;
— dat is geene manier van handelen, eene slechte manier;
— dat is geen spelen, dat is oneerlijk, valsch spelen;
— dat zijn geene manieren, slechte manieren;
— dat is geen leven, een zeer ongelukkig leven, het is niet uit te houden;
— het is geen weer, het is slecht weer, of wel, in zwakkere opvatting, geen goed weer;
— (bijwoordelijke ontkenning) ik voel geen de minste opgewektheid om dat feest mede te vieren, volstrekt geen opgewektheid.