Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kom

betekenis & definitie

KOM, v. (-men), bak, schaal, kop eene kom met water; eene kom thee, koffie;

— (Zuidn.) op de kom (mogen) bijten, den hond in den pot vinden; (ook) aan iets geen deel mogen of kunnen nemen;
— het binnenste gedeelte eener haven;
—de bebouwde kring eener gemeente hij woont in de kom van het dorp;
— kleine vijver, waterkom voor het kasteel lag eene kom, waarin goudvischjes zwommen;
— eene kleine haven
— kleine binnenlandsche zee;
— komvormige diepte in de aardoppervlakte, (ook) lage streek tusschen twee heuvelen. KOMMETJE, o. (-s).