Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-11-2017

aanleg

betekenis & definitie

Aanleg - m., het aanleggen van schietgeweer; aanleg op stukgoederen, zie: AANLEGGEN; - oogmerk, bedoeling, toeleg; - in eersten aanleg, in eerste instantie; - rechtbank van eersten aanleg, vóór 1838 de benaming der tegenwoordige Arrondissements-Rechtbanken;

begin van uitvoering van verschillende werken; wijze waarop iets aangelegd is (plantsoen, schilderij); - natuurlijke geschiktheid (in de toekomst) voor, tot (kunst, wetenschap; zwaarmoedigheid; om dik te worden); eerste ontwerp of begin (van eene schilderij of teekening); benedendikte van een muur; (dijk- en wegenbouw): dijk van dubbelen, halven aanleg, waarvan de voet het dubbele, de helft van de hoogte bedraagt; plantsoen, wandelplaats; de plaats, waar men aanlegt om uit te rusten of iets te gebruiken.