Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Oud

betekenis & definitie

Oud bn. (-er, -st), (in de spreektaal in verbogen vormen gewoonlijk OUWE, OUWER), een zekeren leeftijd hebbende: dat kind is 6 weken oud; hoe oud is hij?; voor hoe oud ziet ge mij aan?, welken leeftijd kent gij mij toe?; die boom is wel 1000 jaar oud; een kanarie wordt wel 16 jaar oud;

— (Z. A.) ik ben ouder dan 12, ik ben niet van gisteren, ik doorzie je plan, ik ben je te slim af:
— een hoogen leeftijd hebbende, niet jong, bejaard: hij is al oud, al 85 jaar; een oud man;
— hij wordt oud, hij komt op jaren; (ook) hij begint er als iem. op hoogen leeftijd uit te zien;
— hij schijnt, wordt oud voor zijn tijd, de ouderdom komt bij hem vroeg;
— die kleeren maken haar wel 10 jaar ouder, doen haar zooveel ouder schijnen;
— hij wordt niet oud, hij zal wel jong sterven, (ook) hij blijft er jeugdig uitzien;
— (spr.) oud en jong waren op de been, iedereen, zoowel de bejaarde als de jeugdige menschen;
— die jong spaart, lijdt oud. geen gebrek;
— jong gewend, oud gedaan;
— zoo de ouden zongen, piepen de jongen, zie jong;
men is nooit te oud om te leeren, altijd nog kan men menschen aantreffen van wie men wat beters kan overnemen;
hoe ouder, hoe gekker, zie gek; een oude bok, zie bok;
— oude bokken hebben stijve horens, oude menschen zijn stijfhoofdig;
— (fig.) een oude rot, een doorslepen vos; een oude rot in de val, iem. die zeer slim is, ook eens gevangen;
— een oud schelm, een doortrapte schelm; een oude zondaar, die in de zonde verhard is;
— een oude vrijer, vrijster; eene oude neut, eene oude vrijster;
— nog niet oud en koud zijn, nog jong en vol vuur;
— mijn oude heer, mijn vader; zijne oude vrouw, zijne moeder; uw oude lui, uw ouders; een ouwe ziel, een oud vrouwtje;
— de oude dag, de hooge leeftijd, ouderdom; voor den ouden dag zorgen; op zijn ouden dag lijdt hij gebrek; de oude dag met zijne gebreken begint reeds te komen;
— (spr.) men kan wel jong van jaren en oud van dagen zijn, op jeugdigen leeftijd veel kennis en verstand hebben;
— men is nooit te oud om te leeren, soms schertsend verlengd met maar altijd te jong om te hangen;
— (spr.) men moet geen oude boomen verplanten, oude menschen kunnen niet goed tegen verandering van woonplaats of werkkring;
— een oud beestje van stal halen, gezegd als een predikant eene oude preek houdt;
— eenigen tijd durende, bestaande en als degelijk, proefhoudend gebleken: oude liefde roest niet; uit oude vriendschap deed hij het;
— een oud vriend, een beproefd vriend, op wien men zich kan verlaten;
— zoo, ouwe jongen, ben je daar!, zoo, beste vriend;
— hij blijft de oude getrouwe, op zijne trouw kan men steeds rekenen;
— wij blijven de ouden, wat er ook verandere, wij niet in onze verhouding tot elkaar;
— iem. van den ouden stempel, in hooge mate degelijk;
— hij is van ouden adel; hij behoort tot de oudste geslachten; een oud spreekwoord, reeds lang bestaande;
— een geruimen tijd een zeker beroep, bedrijf uitoefenende en daarin ervaren geworden: een oud zeeman; een oud krijger;
— eenigen tijd bestaande en daardoor beter van hoedanigheid geworden, niet jong: oude kaas; oude wijn; oude jenever; eene oude zaak, inz. eene die goede winsten geeft;
— geruimen tijd bestaande en daarvan de kenmerken dragende, niet jong: eene oude stad; een oud huis; eene oude ruïne;
— niet nieuw, eenigen tijd geleden vervaardigd, eenigen tijd gebruikt en daardoor min of meer versleten: dat zijn oude boeken, die niemand meer bestudeert; oude kleeren, meubelen, huizen, pennen:
— niet versch: oud brood, oudbakken; oude aardappelen, oude bloemkool, lang geleden uit den grond gehaald; oud bessensap, van ’t vorige jaar;
— wat men van iem. of iets gewoon is: ouder gewoonte, zooals sinds zeer lang de gewoonte is; ouder gewoonte kwam hij weer te laat, zooals men dat van hem gewoon is;
— hij ging zijn ouden gang, hij veranderde, verbeterde zijne levenswijze niet;
— op den ouden voet voortgaan, op dezelfde wijze als vroeger;
— alles bij het oude laten, niets veranderen, alles laten zooals het vroeger was:
— vroeger: in den goeden ouden tijd;
— mijn oude huis, het huis dat men vroeger bewoonde (onderscheiden van mijn oud huis, een huis dat werkelijk oud is en dat men nu bewoont of bezit);
— eene oude mode, eene vroegere mode;
— zijne oude kwaal komt weer terug, de kwaal die hij vroeger had;
— de oude haat kwam weer boven, de haat van vroeger;
— den ouden Adam afleggen, zich beteren, de oude neiging tot zonde onderdrukken;
— altijd de oude knecht blijven, financieel niet vooruitgaan;
— 't is altijd het oude liedje, steeds hetzelfde;
— reeds bekend: dat is zoo oud als de weg naar Rome, zeer oud, (ook) dat is bij iedereen bekend: dat is oud nieuws; oude kost oplepelen, oud nieuws vertellen; het is een oude mop; de oude deun; altijd het oude liedje; het is de ouwe geschiedenis weer, wat den hoorder reeds bekend is: op de oude manier, de vroegere, reeds bekende;
— voormalig, gewezen (in deze bet. meest in samenstelling gebruikt: oudburgemeester, oudminister);
— wat vroeger bestaan heeft en thans niet meer bestaat, in tegenstelling met het tegenwoordige: de oude volken, de volken der oudheid;
— oude talen en letteren, die der oude volken, inz. der Grieken en Romeinen;
— de oude geschiedenis, de wereldgeschiedenis tot den ondergang van het Westersch Romeinsche rijk;
— voor oude tijden, in oude, in de oudste tijden, vroeg, zeer vroeg in de geschiedenis, aan de oudheid herinnerende;
— oude bedden, antieke; een oud gebruik, dat uit oude tijden dagteekent of daaraan herinnert;
— een oud woord, in onbruik geraakt;
— de oude stijl, de Juliaansche kalender;
— het Oude Testament, in tegenstelling met het Nieuwe, waarin voornamelijk de geschiedenis van Jezus en de Apostelen vervat is;
— de Oude Wereld, in tegenstelling met de Nieuwe, die later ontdekt werd.