Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Gebouw

betekenis & definitie

Het begrip gebouw heeft 2 verschillende betekenissen:

1. gebouw - GEBOUW, o. het telkens of voortdurend bouwen het is hier eene heele drukte met al dat gebouw.

2. gebouw - GEBOUW, o. (-en), een groot vaststaand bouwwerk, voor zooverre het tot woning of samenkomst of tot verschillende andere maatschappelijke verrichtingen of doeleinden dient, en meer of min in kunstvorm is opgetrokken de gebouwen eener stad, eener vesting; een groot, ruim gebouw; een aanzienlijk gebouw; een deftig, vroolijk, somber gebouw; bij-, hoofdgebouw; kerk-, landsgebouwen;
— een militair gebouw, een voor militaire doeleinden bestemd gebouw;
— het hemelsche gebouw, de hemel;

(fig.) (van instellingen, stelsels, beweringen, meeningen, ondernemingen, plannen, verwachtingen) het kunstmatig samenstel: het gebouw zijner verwachtingen stortte ineen; het gebouw zijner verbeelding (dat alleen op zijne verbeelding rustte) mistte allen degelijken grondslag;
— een gebouw te hoog optrekken (in toepassing op ondernemingen, plannen enz.) ze op te breede schaal opzetten, te ver uitstrekken;
— het gebouw stortte in als een kaartenhuisje, van die ondoordachte plannen kwam niets te recht;
— op de fondamenten steunt het gansche gebouw, elk werk behoort op deugdelijke grondslagen te rusten;
— zooals de grondslagen zijn, is het geheele gebouw, van den aard der grondslagen hangt de deugdelijkheid van elk werk of elke onderneming af. GEBOUWTJE, o. (-s).