Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Thuis

betekenis & definitie

Thuis - o. een tehuis, woning waarin men verkeert : een gezellig, een prettig thuis ergens vinden; geen thuis hebben, geen woning hebben waarin men vriendschappelijk kan verkeeren;

— die hond heeft geen thuis, geen onderdak, is van niemand; niet thuis geven, belet geven, zeggen dat men uit is;
— voor jou ben ik altijd thuis, gij zijt mij altijd welkom;
— daar is hij thuis, is hij eigen, gevoelt hij zich op zijn gemak;
— in Rotterdam is hij thuis, daarvan is hij geboortig, (ook) daar weet hij uitstekend den weg:
— hij is overal thuis, gevoelt zich overal op zijn gemak;
— in de geschiedenis goed thuis zijn, er veel van weten, zich dadelijk oriënteeren kunnen;
—van alle markten thuis zijn, zeer geslepen zijn;
— daarvoor ben ik niet thuis, daarover ben ik niet te spreken;
— (Zuidn.) vader wordt oud, hij is somtijds niet thuis, soms handelt, spreekt hij kindsch.