Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Ook

betekenis & definitie

Ook vw. en bw. bovendien, daarenboven: zoo wie u op de rechter wang slaat, keert hem ook de andere toe;

— (versterkt) niet alleen
maar ook: niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid gekend hebben;
— ook nog, bovendien nog: moet ik dat nu ook nog beleven?; ik ben er óók nog, ik heb het in mijn macht hier tusschenbeide te komen;
— evenzoo, evenzeer: is uw vrouw wel, en de kinderen ook?;
— mij óók goed, uitdrukking van onverschilligheid;
— als ook, gelijk mede, evenzeer als: al zijn have bracht hij weder, als ook de vrouwen en het volk;
— dat is ook iets!, dat is ook wat moois!, van onaangenaamheden;
— dat is waar ook;
— zelfs: ik zeg u, ook Salomo is niet bekleed geweest als een van deze;
— in toegevende bijzinnen, ter versterking van de concessieve beteekenis: hij geeft veel aan de armen, al is hij ook zelf niet rijk;
— dienovereenkomstig: de soldaten hielden zich overtuigd, dat de notaris den korporaal had gedood; ook eischten zij eene onmiddellijke strafuitvoering;
— bij geval: hebt gij hem ook voorbij zien gaan?; (bijb.) leest men ook eene druif van doornen of vijgen van distelen?;
— in wenschende zinnen of in uitroepen, toch: wat was hij ook een beste jongen!