Ook betekenis & definitie

Ook vw. en bw. bovendien, daarenboven: zoo wie u op de rechter wang slaat, keert hem ook de andere toe; — (versterkt) niet alleen — maar ook: niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid gekend hebben; — ook nog, bovendien nog: moet ik dat nu ook nog beleven?; ik ben er óók nog, ik heb het in mijn macht hier tusschenbeide te komen; — evenzoo, evenzeer: is uw vrouw wel, en de kinderen ook?; — mij óók goed, uitdrukking van onverschilligheid; — als ook, gelijk mede, evenzeer als: al zijn have bracht hij weder, als ook de vrouwen en het volk; — dat is ook iets!, dat is ook wat moois!, van onaangenaamheden; — dat is waar ook; — zelfs: ik zeg u, ook Salomo is niet bekleed geweest als een van deze; — in toegevende bijzinnen, ter versterking van de concessieve beteekenis: hij geeft veel aan de armen, al is hij ook zelf niet rijk; — dienovereenkomstig: de soldaten hielden zich overtuigd, dat de notaris den korporaal had gedood; ook eischten zij eene onmiddellijke strafuitvoering; — bij geval: hebt gij hem ook voorbij zien gaan?; (bijb.) leest men ook eene druif van doornen of vijgen van distelen?; — in wenschende zinnen of in uitroepen, toch: wat was hij ook een beste jongen!