Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZIEN

betekenis & definitie

ZIEN, (zag, heeft gezien), zijn gezicht hebben, niet blind zijn: hij ziet scherp, zeer goed; hij begint slecht te zien, het gezichtsvermogen een weinig te verliezen; duidelijk zien; slechts van nabij zien, bijziende zijn; slechts van verre zien, verziende zijn; scheel zien;

— dubbel zien, alle voorwerpen dubbel zien doordat de gezichtsassen niet samenvallen, (ook) dronken zijn;
— de katten zien bij nacht;
— ziende blind zijn, oogen hebben en niet zien;
— ik kan uit dat ééne oog niet zien, doordat het niet in orde is;
— hij kan uit zijne oogen niet zien, vanwege den slaap, (ook fig.) hij neemt niet juist waar;
— met het gezicht waarnemen : ziet ge mijn pen ?; ik zie mijn hoed niet;
— het is zoo donker, dat men geene hand voor oogen zien kan, het is in hooge mate donker;
— uit eigen oogen zien, zelf waarnemen, naar eigen oordeel te werk gaan;
— door een vergrootglas zien, (fig.) de zaken overdrijven;
— door een bril zien, met behulp van een bril zien, (ook fig.) de zaken niet juist waarnemen, zooals zij zijn;
— iets door de vingers zien, onopgemerkt, ongestraft laten;
— iets niet willen zien, niet willen opmerken;
— hij wil de wereld zien, de wereld ingaan, ondervinding opdoen;
— het levenslicht zien, geboren worden;
— het boek zal over eene maand het licht zien, uitgegeven worden;
— ik heb hem in geene eeuw gezien, ontmoet, gesproken;
— veel menschen zien, in vele gezelschappen verkeeren, (ook) veel bezoek ontvangen;
— hij ziet haar gaarne, houdt veel van haar, is op haar verliefd;
— hij is daar niet gezien, men ontvangt hem daar niet gaarne, hij is er niet welkom;
— hij is niet gezien, niet geacht;
— ik mag hem niet zien, ik kan hem niet uitstaan;
— iets laten zien, vertoonen; iem. de bezienswaardigheden eener stad laten zien, daarheen geleiden en toonen; iets voor geld laten zien; hij laat zich nergens zien, vertoont zich nergens;
— naar eene wonde laten zien, hoe het ermee gesteld is ; laat zien wat gij hebt, wat hebt gij ?;
— als dat gebeurt, dan zal ik mij laten zien, dan zal ik toonen wie ik ben, dan zal ik mij doen gelden;
— gadeslaan, opmerken : ik zie uw broeder niet; hij wilde mij niet zien;
— voor zich zien, niet achteruitzien, (fig.) oppassen, voorzichtig zijn;
— dat zie ik graag, dat merk ik graag op, dat bevalt mij;
vier oogen zien meer dan twee, twee personen merken meer op dan één;
— hij ziet niet verder dan zijn neus lang is, zie NEUS;
— iem. in de oogen zien, vlak aankijken;
— iem. in de kaart zien, merken wat hij van plan is, hem doorzien;
— iem. in den nek zien, minachtend behandelen;
— zij begint al naar hare hielen te zien, zij begint zich reeds te voelen;
— iem., iets over het hoofd zien, niet meetellen, meerekenen;
— iem, naar de oogen zien, op zijn minste wenken acht geven, hem ontzien; iem. op de vingers zien, zie VINGER;
gij zult het zien en ondervinden;
letten op : hij ziet op geen kleintje, hij geeft daar niet veel om; hij ziet op geen gulden, hij is royaal;
zij kan in hare kinderen geen kwaad zien, alles legt zij van hen ten goede uit;
— omzien : naar het eten, naar de kinderen zien;
— als stopwoordje: ziet ge, dan gaat gij eerst...', zie je, dat komt er nu van;
— ik zie uit uw brief, ik lees daarin;
— ik zie nu, dat gij gelijk hebt, ik zie nu in;
komen, treden: het gevaar moedig onder de oogen zien;
bedacht zijn : op eigen voordeel zien;
— gevolgd door een onb. w. neemt het verl. deelw. den vorm van den infinitief aan : ik heb het zien komen; ik heb hem zien gaan; hij heeft mij zien slaan, hij heeft gezien, dat ik sloeg; (ook) hij heeft gezien, dat ik geslagen werd;
— trachten, moeite doen : zie hem mede te brengen; hij zag haar te verleiden; zie het gedaan te krijgen;
wij zullen zien, wij zullen het beproeven, (ook) wij zullen afwachten, wat er gebeurt;
— zie eens of die som uitkomt, beproef eens, reken eens na;
— eene zekere gestalte, uitzicht of voorkomen hebben : bleek zien; zij ziet zoo rood als vuur; zwart, donker, zuur zien;
— uitzicht geven : dit venster ziet op de straat; die kamer ziet in den tuin;
— (fig.) dat ziet op hem, heeft betrekking op hem, geldt hem;

—, o. het zien van een lijk; het zien kost u niets, gij moogt vrij zien, dat kost u geen geld;
— naar mijne wijze van zien, volgens mijn meening;
— hooren en zien vergaat iemand hier, hier is een helsch lawaai;
tot ziens, tot weerziens.