Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

ANDER

betekenis & definitie

rangtelw. en bn. (ook zelfst. gebruikt). Als rangtelw. (= tweede) verouderd, nog over in ten anderen male. ten tweeden male, zie ANDERMAAL, ANDERWERF;

— ten anderen, in de tweede plaats, ten tweede;
— om den anderen, beurtelings;
— hij vloekt om het andere woord, telkens;
— mijn ander ik, de persoon die(n) ik liefheb als mijzelf, mijn echtgenoot;
— hij is om den anderen dag ziek, telkens den tweeden dag, (ook) zeer vaak;
— de andere week, maand, eerstvolgende;
— des anderen daags, op den volgenden dag, zie ANDERDAAGSCH;
— het andere leven, de andere wereld, het leven, de wereld hiernamaals;
— naar de andere wereld gaan (verhuizen), sterven;
— iem. naar de andere wereld zenden (helpen), dooden;
— iem. naar de andere wereld wenschen, verwenschen;
— eene drukte, eene moeite van de andere wereld eene buitengewoon groote drukte, moeite;
— ander duidt een van twee personen of zaken aan, waarvan er reeds een vooraf is genoemd of aangewezen van deze twee broers is de een zoo lui, als de ander vlijtig is;
— men kan het eene doen en ’t andere niet laten, men kan beide dingen doen;
— dit kwaad zou nog erger zijn dan ’t andere;
— (term in de wapenk.) van het een in, op het ander, van eene figuur gezegd, die in een door lijnen verdeeld schild, zich in elk schildvak gelijkelijk uitstrekt en telkens met het veld in kleur af wisselt;
— met verzwijging der tegenstelling de andere zijde van den stroom, de overzijde;
— aan de andere zijde van het graf, in het toekomstige leven;
— ter eenre, ter andere (zijde) (in notarieele akten);
— de andere kunne, het vrouwelijk geslacht (tegenover het manlijk);
— neem de pen in de andere hand; ieder bemerkte wel, dat de ander hem iets te zeggen had;
— van meer dan twee personen of zaken, telkens paarsgewijze beschouwd, gebezigd: zij wierp de paarlen de eene na de andere op den grond;
— wij helpen de een den ander, elkander;
— ander geeft te kennen, dat een persoon of eene zaak niet dezelfde is als die waarvan men spreekt of waaraan men denkt: hij houdt het met eene andere vrouw (dan zijne eigen vrouw); ik zal een anderen hoed koopen (dan dien ik nu draag);
— hij kent geen ander genot dan lekker eten;
— de premier en de andere ministers, de overige;
— breng dit boek terug, de andere kunt gij houden, de overige;
— een (e) ander(e) maal, bij eene volgende gelegenheid, zie ANDERMAAL;
— een en ander maal, meer dan eens, herhaaldelijk;
— de eene of andere gauwdief, deze of gene;
— bij de eene of andere gelegenheid zal hij zich op u wreken, bij eene zich voordoende gelegenheid;
— zeg het niet aan een ander, een ander persoon;
— hij bemint eene andere, eene andere vrouw;
kom niet in eens anders zaken, ook: in een anders zaken;
— sommigen, eenigen, velen prijzen het, anderen keuren het af, andere personen;
— onder anderen verkeeren, onder andere menschen;
— de een of ander, iemand;
— doe het niet: een ander lacht er om, men;
— het een en ander, verschillende zaken die men niet nader aanduidt; ik zal u het een en ander over zijn vroeger leven meededen;
— een en ander, vroeger genoemde dingen oom is hier geweest, we hebben rijtoertjes gemaakt, museums bezocht enz.; ik zal u een en ander later wel uitvoeriger meededen;
— zing eens het een of ander, iets;
— onder andere (o. a.), onder andere dingen die ik zou kunnen noemen;
— iets anders, wat anders, eenig ander ding laten wij over iets anders spreken;
— hij doet den heelen dag niets anders (niet anders, anders niets, anders niet) dan grappen maken;
— is ’t anders niet ?, dat is heel wat beneden mijne verwachting, dat vind ik nog niet zoo erg;
— doe die sigaren ergens anders in, in iets anders;
— wat anders ?, welke andere zaak hij rentenierde: wat zou hij anders doen;
— naar analogie van iets, wat, niets anders zijn iemand, niemand, wie anders gevolgd: ik zal ’t noch aan u, noch aan iemand anders zeggen; 't was niemand anders dan mijn verloren gewaande vriend; wie zou 'i anders geweest zijn, dan mijn vriend;
— ander drukt uit, dat een persoon of eene zaak in hoedanigheden, eigenschappen, aard zich onderscheidt van die, waarvan men spreekt of waaraan men denkt: zijn vader had een heel ander karakter dan hij, was een ander man;
— (spr.) andere tijden, andere zeden, de zeden veranderen met de tijden;
— met andere woorden (m. a. w.), ’t geen ook aldus gezegd kan worden;
— (vaak met ’t bijdenkbeeld van iets beters, grooters) ik heb wel anderen wijn geproefd, wel andere tochten meegemaakt;
— dat is andere tabak (dan knaster) dat is iets beters, iets uitmuntends;
— dat is andere koffie, dat is iets geheel anders, veel beter dat tevoren gezegd, besproken was;
— iets, wat anders, iets (zeer) verschillends onderwijzen is iets anders dan zelf leeren:
— dat is iets anders, dat maakt een verschil, dat verandert de zaak.