Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Leven

betekenis & definitie

1.

LEVEN, (leefde, heeft geleefd), van organische wezens) zich in een toestand bevinden, waarin de verschillende organen op natuurlijke wijze werken niet dood, in leven zijn uw goede vriend leeft niet meer;
— zoo waar ik leef bevestigingsformule;
— laat het diertje leven, dood het niet; sommige planten leven niet langer dan 14 dagen;
— (spr.) het is te weinig om te leven en te veel om te sterven, ’t is bitter weinig;
— hij weet van voren niet, dat hij van achteren leeft, hij is aartsdom;
— die weet ook, dat hij leeft, die heeft ook ’s levens lasten te dragen;
— die dan leeft, die dan zorgt, als die tijd komt is het vroeg genoeg om te zorgen, geen ellende voor den tijd !;
— (ook van een zuiver geestelijk bestaan) zoo waar als God leeft, ik weet dat mijn Verlosser leeft; (bijb.) eeuwig leven, zalig zijn; (fig.) de hoop leeft nog in hem;
— (met eene bepaling van plaats) op zekere plaats leven, zich daar ophouden, het leven daar doorbrengen dieren die in het water leven; hij heeft jaren lang op het land geleefd;
— met bijvoeging van de wijze waarop, de omstandigheden waaronder men leeft: deze dieren leven in groote kudden; hij leeft gelukkig, ingetogen, zuinig, losbandig; op grooten voet, rijk leven;
— hij leeft van den hoogen boom, verkwistend;
— van de hand in den tand leven, dadelijk uitgeven wat men verdient, niets kunnen besparen; leven als vroolijke Frans, zich niets van ‘s levens zorgen aantrekken;
— hij leeft als God in Frankrijk, een zorgeloos, lichtzinnig, goddeloos leven leiden
— met iem. in vrede, in onmin leven; hij heeft altijd goed met zijn vrouw geleefd; slecht met iem. leven, hem mishandelen; zij leven als kat en hond, in gedurigen twist;
— met dezen man is niet te leven, is niet om te gaan;
— met dezen man is wel te leven, hij is verdraagzaam;
— het mensch waar hij mee leeft, waar hij mee samenwoont, de vrouw met wie hij huist;
— (gew.) met iets of iem. leven, er ruw mee omgaan, ruw behandelen wat leeft die jongen met zijn pet!; gij kunt ook vreemd met je vrienden Ieven,
— van iets leven zich voeden met, zich onderhouden, zich in ’t leven houden door van vleesch leven:
— een mensch leeft van geen brood alleen, heeft ook geestelijke behoeften;
— hij kan toch van den wind niet leven, heeft toch ook levensonderhoud noodig;
— van zijn handenarbeid, van aalmoezen leven; hij leeft van zijn geld, renteniert; hij heeft niets om van te leven, hij is doodarm;
— voor iets of iem. leven, zich er geheel aan wijden hij leeft voor zijne kinderen, hij offert alles voor hen op;
— hij leeft voor de studie;
— (praegnant) met bewustzijn, werkelijk leven, het leven gebruiken, van het leven genieten vele menschen sterven zonder geleefd te hebben;
— hij heeft wat sterk geleefd, zich wat te veel aan uitspattingen overgegeven;
— men moet leven en laten leven, men moet een ander ook wat gunnen;
— hij weet te leven, het leven te gebruiken, hij heeft overleg, (ook) hij weet hoe hij zich behoort te gedragen;
— genieten, zich verkneukelen, genot hebben, groeien in; hij leeft in de ruzie, twist en krakeel is zijn grootste genot; zoo iets, daar leeft hij in; als hij maar plagen kan, dan leeft hij;
— voortbestaan, herdacht worden het Latijn leeft nog alleen als taal der geleerden; hij leeft nog in, den mond van het volk; in de geschiedenis, bij het nageslacht leven;
— zich bewegen, in beweging zijn: afgescheurde spinnenpooten leven nog een geruimen tijd; alles leeft aan hem;
— het leeft er van wild, er is overvloed, het wemelt er van wild:
— (van zaken) als levend, als bezield schijnen: dat portret, dat beeld leeft.
2.
LEVEN, o. (van organische wezens) de toestand waarin de verschillende organen op natuurlijke wijze werken; (ook) datgene wat dien toestand veroorzaakt hij is nog in leven; het leven van planten en dieren; iem. of iets in het leven houden; de katten hebben een taai leven; het leven gaat snel voorbij; hij gaf geen teeken van leven meer, was oogenschijnlijk dood;
— men trachtte het leven weer op te wekken, vgl. levensgeesten;
— het leven loopt op een eind, hij, het zal wel spoedig sterven;
— zijn leven duur verkoopen, zich dapper verdedigen tegen den vijand;
— het leven er bij inschieten; om het leven komen, door een ongeluk het leven verliezen:
— een strijd op leven en dood;
— zijn leven hangt aan een zijden draad, hij verkeert in groot gevaar:
— zoo lang er leven is, is er hoop;
— bij leven en welzijn hoop ik..., als ik het beleef en gezond ben;
— iets in het leven roepen, doen ontstaan;
— leven voelen, bespeuren, van de vrucht in de baarmoeder:
— (fig.) leven geven, bezielen: deze beeldhouwer geeft het leven aan het marmer;
— (bijb.) het leven na den dood de weg is nauw die tot het leven leidt; uit den dood overgaan in het leven; het leven hiernamaals, het eeuwige leven;
— de toestand van den mensch zoolang er levenskracht in hem is, de tijd gedurende welken het leven duurt en de wijze waarop het zich openbaart: deze man, in leven notaris te A.; hij heeft het bij zijn leven weggegeven;
— zoo iets heb ik van mijn leren niet gezien, nooit:
— heb je van je leven heb je nu ooit (zoo iets gezien enz.);
— hij is voor zijn leven ongelukkig, zoo lang hij leeft;
— de lente des levens, de jeugd;
— een gelukkig, welbesteed leven; een doelloos, ellendig, treurig leven; een gebroken leven; een leven vol genot, vol kommer en verdriet; hij heeft een lekker, goed leven; het leven van soldaat, van oude vrijer;
— trekken uit het leven van beroemde mannen;
— (praegnant) het met bewustzijn leven; het werkelijke leven; het genot des levens: hij is een dood element, daar zit geen leven in; mjjn broeder is enkel geest en leven; het is al Ieven wat er aan is;
— wer1 ken is mijn lust en (mijn, leven, mijn hoogste genot; zij is mijn lust en (mijn) leven, zonder haar zou ik voor alle genot, voor iedere aandoening dood zijn;
— wijze van leven het leven in de stad, in Den Haag, op het platte land; de jacht is zijn leven, hij leeft voor de jacht;
— levendigheid, vuur er is veel levert in die schilderij; er was geen leven in die redevoering;
— drukte, gedruisch, rumoer, geraas dat brengt, geeft leven in de brouwerij; wat is er een leven op straat; leven maken; het is hier een heidensch leven, een leven dat hooren en zien vergaat;
— ’t was een leven als een oordeel, een vreeselijk rumoer, een verschrikkelijk geraas, een hoogloopende twist; veel leven om niets;
— de werkelijke wereld, waarin de levende mensch zich beweegt: dat mag nu in een. roman staan, maar in het leven is dat anders, in de werkelijkheid komt zoo iets niet voor;
— dit tooneel is uit het leven gegrepen, naar het leven geteekend, zooals het in de werkelijke wereld is;
— het leven leert beter dan alle boeken; het practische, maatschappelijke, gewone, dagelijksche leven;
— het vleezige, gevoelige deel van het dierlijk lichaam, het niet afgestorven, niet verwelkte deel van planten door het doode vleesch in het leven snijden; de doode takken tot op het leven afsnijden;
— (mv. -s), levensschets, levensbeschrijving: wij lezen de levens van Plutarchus; de levens van beroemde mannen.