Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VROUW

betekenis & definitie

VROUW - v. (-en), echtgenoote ; vrouwelijk persoon die huwbaar is ; man en vrouw, echtpaar ; eene vrouw nemen, in het huwelijk treden ; de vrouw (meesteres) des huizes ;

zij is eene vrouw, zij is zwak of onbestendig;
— Onze Lieve Vrouwe, de Maagd Maria ;
— eene speelkaart met eene vrouw : hartenvrouw, ruitenvrouw. VROUWTJE, o. (-s), kleine vrouw.