Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gelegenheid

betekenis & definitie

GELEGENHEID, v. (...heden), ligging, plaatselijke gesteldheid de gelegenheid van een land, eene streek;

zij was door en door bekend met de gelegenheden des huizes, de inrichting er van;
— een gebouw, eene woning met betrekking tot de gesteldheid er van voor eene winkelnering is dat hoekhuis eene beste gelegenheid; zoo’n buitentje vlak bij de stad is eene aardige gelegenheid;
— eene plaats die voor eenig doel gunstig gelegen is gij hebt hier voor het raam eene goede gelegenheid, den stoet te zien voorbijtrekken;
— eene toevallige omstandigheid of gesteldheid van zaken die voor het een of ander gunstig is de behandeling der naamvallen zal ik voor eene andere gelegenheid bewaren; plaats, tijd en gelegenheid waren geschikt om den maaltijd aan te vangen; eene schoont, goede, gunstige, geschikte, slechte gelegenheid; er is gelegenheid om te dansen, te slapen, te logeeren, enz.; eene kamer met gelegenheid om te stoken; veel, weinig gelegenheid hebben, om uit te gaan; bij de eerste gelegenheid de beste kwam hij mij bezoeken;
— breng mij bij gelegenheid dat boek eens mee. als u dat eens gelegen komt;
— bij gelegenheid zal ik er over spreken, als ik daartoe aanleiding vind;
— ik had geene gelegenheid hem op zijne fouten te wijzen, de omstandigheden waren daartoe niet gunstig:
— ik moet wachten tot er zich eene gelegenheid voordoet;
— hij nam alle gelegenheden te baat, om haar te zien en te spreken, als het slechts eenigszins kon;
— de gelegenheid bij de haren grijpen, ze gretig aangrijpen , er onverwijld gebruik van maken
— hij was (bevond zich) in de gelegenheid een goed huwelijk te doen;
— iemand in de gelegenheid stellen, om..., tot iets in staat stellen, (of) er aanleiding toe geven;
— (spr.) de gelegenheid maakt den dief, ook toegepast op het bedrijven van kwaad in ‘t algemeen;
— gelegenheid maakt genegenheid, uit de gelegenheid, die een jonkman en een meisje hebben om elkander te ontmoeten, ontstaat vaak genegenheid of liefde;
— gunstige reisgelegenheid ik vond daar gelegenheid met de stoomtram naar Naaldwijk te gaan;
— de mogelijkheid om iets te verzenden: per eerste, per vriendelijke gelegenheid;
— middel van vervoer met de eerste gelegenheid reisde hij naar Leiden terug;
— op eigen gelegenheid keerden de feestvierenden naar huis, op zich zelf, niet gezamenlijk;
— bepaalde omstandigheid, voorkomend geval: wij zijn op elke gelegenheid voorbereid;
— die wijs is, schikt zich naar tijd en gelegenheid, naar de tijdsomstandigheden;
— samenloop van omstandigheden, een feit of voorval in verband met eene daarmede samentrekkende of er uit voortvloeiende handeling: bij deze (te dezer) gelegenheid liet hij zich niet onbetuigd; een gekleed pak draag ik alleen bij gelegenheden; eene feestelijke gelegenheid; feestlied ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan onzer vereeniging.