Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Eens

betekenis & definitie

EENS, bw. éénmaal, één keer: ik zeg het maar eens; eens voor altijd (bij eene vermaning);

dat is eens, nu niet weer;
— meer dan eens, dikwijls;
— ik krijg nu eens van u (bij het spel), eenmaal den inzet zijt ge mij schuldig
— ik heb [houd) eens op hem, hij heeft mijne wraak te duchten;
— doe het eens waag het niet;
— hij deed het examen in tweemaal, doch zijn broer deed het in eens;
— de belasting in eens betalen; ik heb hem eens gezien;
— op zekeren tijd, eene reis (in het verleden): er was eens een koning; eens op een dag; (ook in de toekomst) wanneer ik eens rijk word; ik kom eens bij u aanloopen, binnenkort;
— plotseling, geheel onverwachts: op eens ontstond er eene groote verwarring; ook toen hij mij zag, kwam hij in eens op mij af, regelrecht, terstond;
— nauwelijks hadden wij een paar woorden met hem gesproken, of hij stelde zich in eens aan ons voor, dadelijk;
— (ter versterking) ik heb het hem eens goed gezegd, zal het hem eens goed zeggen, flink, terdege, voor goed;
— dat is nog eens een flinke borst;
— hij had niet eens tijd afscheid te nemen, zelfs niet;
— nu eens
— dan weer, bij tusschenpoozen, afwisselend;
—, bn. het eens zijn of worden over iets, daar, over in gevoelen of meening overeenstemmen; ook wij konden het over hem niet eens worden, dachten niet gelijk, hoe hem te beoordeelen, wat voor hem het beste was;
— het eindelijk met zichzelven eens zijn, tot een besluit gekomen zijn.