Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

ZICH

betekenis & definitie

ZICH, wederkeerend voornw. van den datief en accusatief van den derden persoon van alle geslachten en getallen : zij geeft zich (3de nv.) moeite; zij kwetsen zich (3de nv.); zichzelf, zichzelve, zichzelven; hij leeft voor zichzelven, hij verkeert niet in gezelschappen, (ook) hij is zeer baatzuchtig; geen geld bij zich (op zak) hebben.