Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

Hier

betekenis & definitie

HIER, bw. op deze plaats (die nadrukkelijk aangewezen wordt): ik heb hier zoo’n pijn; hier is het gebeurd; wie woont hier?, wie woont in dit huis;

— (ook in ruimeren zin van de plaats waar de spreker zich bevindt): ik blijf hier; gij hebt hier niets te maken; wat moet die man hier?, ’t is hier koud; is er hier wat te verdienen?, (als vraag van een koopman) kan ik hier iets verkoopen;
— hier gezegd en (hier) gezwegen, gezegd als men iets onder het zegel van geheimhouding vertelt;
— ik ben hier niet bekend, ik ben vreemd in deze stad, deze streek;
— (met nadere bepaling) hier te lande, hier ter stede, in ons land, in deze stad;
— hier in de buurt, in dezen omtrek; hier en daar, op verschillende (of op enkele) plaatsen: ik heb er hier en daar iets van gehoord; de redenaar deed hier en daar een greep uit de rijke stof;
— (als basterdvloek) wel hier en ginder!;
— (ook van eene plaats in een geschrift, of van het gesproken woord): hier eindigt het verhaal; hier is een woord weggevallen; hier zweeg (of stond) de spreker stil;
— (ook) op dit punt, in dezen: hij heeft zich hier vergist; dat doet hier niets ter zake; hier moet het lot beslissen; hier is geen redding mogelijk;
— (ook gezegd als men iets overreikt) hier!, hier is het, hier hebt ge het, neem aan; hier is de krant;
— (met een ww. van richting verbonden) hierheen: kom hier!; ik ben hier gekomen om het u te vragen; breng dat boek even hier;
— (in andere verbindingen ook ter aanduiding van verwijdering van eene plaats) ga hier vandaan; als ik om elf uur van hier vertrek, ben ik om twee uur thuis.