Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

ANDERS

betekenis & definitie

bw. op eene andere wijze: los dit vraagstuk anders op; geheel anders, een weinig anders; daarmee is ’t anders gelegen, gesteld; ge moet zoo en niet anders handelen;

die drukte moet hem zenuwachtig maken, ’t kan niet anders, ’t is eene noodwendigheid:
— in hoogere mate, meer als gij Londen ziet, zult gij nog anders verbaasd staan, nog anders opkijken;
— op andere tijden ik zie hem tegenwoordig niet zoo vaak als anders;
hij is anders zeer meegaande, op andere tijden, gewoonlijk;
— in andere omstandigheden, in ’t tegenovergestelde geval: ik heb het van avond druk, anders ging ik naar de komedie; hij weet het niet, anders zou hij ’t wel zeggen; (ellipt.) maak dat je wegkomt of anders (bega ik een ongeluk);
— ik verlang eene andere behandeling, anders ga ik heen, óf eene andere behandeling, óf ik ga heen;
— ge wilt morgen vertrekken, maar zou 't anders niet beter zijn uwe reis nog wat uit te stellen, (hier drukt anders uit, dat men een voorslag tot wijziging doet);
— voor 't overige, dit eene daargelaten de trap is smal en slecht geplaatst, anders is 't huis zeer geriefelijk ingericht;
— om eene toegeving uit te drukken hoe vlug hij anders is, dit is boven zijne krachten;
— ergens anders, op eenige andere plaats (analogie van iets anders, vgl. ander):
— waarom zou hij anders zoo koppig zijn, om welke reden buiten deze;
— vat de wapens niet op, anders dan tot zelfverdediging, buiten dat geval;
— (veroud. en gew.) ten minste, althans ik zou een officier niet afwijzen, had ik anders genegenheid voor hem.
bn. (alleen praedicatief) verschillend in hoedanigheden, eigenschappen onze zeden zijn anders dan die onzer voorouders; met slaan krijgt men de ondeugende kinderen niet anders;
— het is niet anders, men moet er zich bij neerleggen;
— hij is niet anders, men moet hem maar nemen, zooals hij is;
—-’ is om anders te worden om driftig, toornig te worden.