Persoon betekenis & definitie

Persoon m. en v. (...sonen), (eig.) het masker van een tooneelspeler; (bij uitbr.) rol van een too neelspeler; de door hem voorgestelde persoonlijkheid : dit stuk bestaat uit 5 personen; wie speelt de hoofdpersoon ?; — zelfbewust individu : de theologie onderscheidt in God drie personen; Vader, Zoon en Heiligen Geest; in fabels treden dieren als handelende personen op; aanzienlijke, vorstelijke personen; ons gezin bestaat uit 6 personen; — het kost een gulden per persoon, voor ieder; — ik voor mijn persoon, wat mij betreft; — hij kwam in eigen persoon, hij kwam zelf, zond geen plaatsvervanger; — handelen zonder aanzien des persoons, zonder op rang of stand in de maatschappij te letten; — hij is de aangewezen persoon, daarvoor wordt hij het meest geschikt gerekend, (ook) komt hij in de eerste plaats in aanmerking; — personen van zaken scheiden; — (minachtend) een. manspersoon, een vrouwspersoon; — iem. ten opzichte van zijn uiterlijk : hij is groot, klein, knap, leelijk van persoon; van persoon is hij niets veranderd; ik ken hem niet van persoon; — (taalk.) de vormen van het werkwoord, die de verhouding uitdrukken tusschen den spreker en het onderwerp der werking; de eerste persoon, wanneer de spreker het onderwerp der werking is; de tweede persoon, wanneer de aangesprokene het onderwerp is; de derde persoon, wanneer noch spreker, noch aangesprokene, maar eene derde zelfstandigheid het onderwerp is; — de aangesproken persoon, de naam van den werkelijken of als zoodanig voorgestelden persoon, tot wien men zijne rede richt en welke buiten de grenzen van den volzin staat. PERSOONTJE, o. (-s).