Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

2018-11-22

Persoon

betekenis & definitie

Persoon m. en v. (...sonen), (eig.) het masker van een tooneelspeler; (bij uitbr.) rol van een too neelspeler; de door hem voorgestelde persoonlijkheid : dit stuk bestaat uit 5 personen; wie speelt de hoofdpersoon ?;

— zelfbewust individu : de theologie onderscheidt in God drie personen; Vader, Zoon en Heiligen Geest; in fabels treden dieren als handelende personen op; aanzienlijke, vorstelijke personen; ons gezin bestaat uit 6 personen;
— het kost een gulden per persoon, voor ieder;
— ik voor mijn persoon, wat mij betreft;
— hij kwam in eigen persoon, hij kwam zelf, zond geen plaatsvervanger;
— handelen zonder aanzien des persoons, zonder op rang of stand in de maatschappij te letten;
— hij is de aangewezen persoon, daarvoor wordt hij het meest geschikt gerekend, (ook) komt hij in de eerste plaats in aanmerking;
— personen van zaken scheiden;
— (minachtend) een. manspersoon, een vrouwspersoon;
— iem. ten opzichte van zijn uiterlijk : hij is groot, klein, knap, leelijk van persoon; van persoon is hij niets veranderd; ik ken hem niet van persoon;
— (taalk.) de vormen van het werkwoord, die de verhouding uitdrukken tusschen den spreker en het onderwerp der werking; de eerste persoon, wanneer de spreker het onderwerp der werking is; de tweede persoon, wanneer de aangesprokene het onderwerp is; de derde persoon, wanneer noch spreker, noch aangesprokene, maar eene derde zelfstandigheid het onderwerp is;
— de aangesproken persoon, de naam van den werkelijken of als zoodanig voorgestelden persoon, tot wien men zijne rede richt en welke buiten de grenzen van den volzin staat.
PERSOONTJE, o. (-s).