Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Eigen

betekenis & definitie

EIGEN, bn. (onverbogen) niet aan anderen, doch aan ons zelven toebehoorende die boer woont op eene eigen plaats;

— eigen equipage, niet gehuurd;
— eigen haard is goud waard, zie HAARD; een eigen zelfstandig naamwoord (in tegenstelling met gemeen), eigennaam;
— (als versterking van bezittelijke voornaamwoorden) zijne eigen vrouw; zijn eigen vader;
— zijne eigen kinderen, (ook) niet aangetrouwd;
— bemoei u met uwe eigen zaken, niet met die van een ander;
ik heb het uit zijn eigen mond, van hem zelven;
— het waren zijne eigen woorden;
— zijn eigen heer en meester zijn, van niemand afhankelijk;
— zijn eigen dood sterven, een natuurlijken dood;
— met (zijn) eigen geld uitkomen (uit de loterij), zonder winst of verlies;
— zijne eigen zaken drijven, niet voor rekening enz. van een ander;
— (doet den dienst van een bezittelijk voornw.): hij heeft dat meisje als eigen kind aangenomen, voedt het op, alsof het zijn kind was;
— zaken voor eigen rekening drijven;
— ik zag het met eigen oogen, heb het zelf gezien;
— op eigen gezag;
— uit eigen zak;
— in eigen kring, zonder vreemden;
— op eigen wieken drijven, zelfstandig optreden, (ook) geheel in zijne behoeften kunnen voorzien;
— er is meer gelijk dan eigen, gelijkenis bewijst nog geene identiteit;
— uit zijn eigen iets doen, (uit eigen beweging), zonder door anderen aangespoord te zijn;
— het is geen eigen, geene familie;
— sla je eigen, sla je zelf;
— op zijn eigen gaan wonen, op zichzelven;
— bij zijn eigen nagaan, bij zich zelven;
— (in de volkstaal) ik heb het hem eigens gezegd, zelf, in eigen persoon;
— ik was mijn eigen niet meer, buiten mij zelf van kwaadheid;
— op zijn eigen, op eigen erf wij boeren op ons eigen;
— dezelfde, hetzelfde op het eigen uur, in de eigen stad; de eigen kogel doorboorde beiden;
— (versterkt) dat is de eigenste man, op het eigenste uur:
— natuurlijk, aangeboren: het is den vogels eigen te vliegen; met de hem eigen vriendelijkheid;
— gewend, thuis, op zijn gemak hij is hier al eigen;

—, (-er, st), vertrouwelijk; zij zijn zeer eigen met elkander, niet vreemd;
— (gew.) eigen zijn, niet spraakzaam, niet gemeenzaam: het volk van dit pachterf is zeer eigen, van geen gemakkelijken omgang
— met iem. gauw eigen worden;
— ergens eigen zijn, zich thuisgevoelen, er familiaar komen;
— zich met iemand eigen maken, gemeenzaam, vertrouwd;
— zich eene vreemde taal eigen maken haar goed leeren, zoodat men zich er flink in uitdrukken kan;
— zich een schrijver eigen maken, hem grondig bestudeeren zie LIJFEIGEN en VRIJEIGEN.