Eigen betekenis & definitie

EIGEN, bn. (onverbogen) niet aan anderen, doch aan ons zelven toebehoorende die boer woont op eene eigen plaats; — eigen equipage, niet gehuurd; — eigen haard is goud waard, zie HAARD; een eigen zelfstandig naamwoord (in tegenstelling met gemeen), eigennaam; — (als versterking van bezittelijke voornaamwoorden) zijne eigen vrouw; zijn eigen vader; — zijne eigen kinderen, (ook) niet aangetrouwd; — bemoei u met uwe eigen zaken, niet met die van een ander; — ik heb het uit zijn eigen mond, van hem zelven; — het waren zijne eigen woorden; — zijn eigen heer en meester zijn, van niemand afhankelijk; — zijn eigen dood sterven, een natuurlijken dood; — met (zijn) eigen geld uitkomen (uit de loterij), zonder winst of verlies; — zijne eigen zaken drijven, niet voor rekening enz. van een ander; — (doet den dienst van een bezittelijk voornw.): hij heeft dat meisje als eigen kind aangenomen, voedt het op, alsof het zijn kind was; — zaken voor eigen rekening drijven; — ik zag het met eigen oogen, heb het zelf gezien; — op eigen gezag; — uit eigen zak; — in eigen kring, zonder vreemden; — op eigen wieken drijven, zelfstandig optreden, (ook) geheel in zijne behoeften kunnen voorzien; — er is meer gelijk dan eigen, gelijkenis bewijst nog geene identiteit; — uit zijn eigen iets doen, (uit eigen beweging), zonder door anderen aangespoord te zijn; — het is geen eigen, geene familie; — sla je eigen, sla je zelf; — op zijn eigen gaan wonen, op zichzelven; — bij zijn eigen nagaan, bij zich zelven; — (in de volkstaal) ik heb het hem eigens gezegd, zelf, in eigen persoon; — ik was mijn eigen niet meer, buiten mij zelf van kwaadheid; — op zijn eigen, op eigen erf wij boeren op ons eigen; — dezelfde, hetzelfde op het eigen uur, in de eigen stad; de eigen kogel doorboorde beiden; — (versterkt) dat is de eigenste man, op het eigenste uur: — natuurlijk, aangeboren: het is den vogels eigen te vliegen; met de hem eigen vriendelijkheid; — gewend, thuis, op zijn gemak hij is hier al eigen; — —, (-er, st), vertrouwelijk; zij zijn zeer eigen met elkander, niet vreemd; — (gew.) eigen zijn, niet spraakzaam, niet gemeenzaam: het volk van dit pachterf is zeer eigen, van geen gemakkelijken omgang — met iem. gauw eigen worden; — ergens eigen zijn, zich thuisgevoelen, er familiaar komen; — zich met iemand eigen maken, gemeenzaam, vertrouwd; — zich eene vreemde taal eigen maken haar goed leeren, zoodat men zich er flink in uitdrukken kan; — zich een schrijver eigen maken, hem grondig bestudeeren zie LIJFEIGEN en VRIJEIGEN.

Laatst bijgewerkt 02-09-2018