Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Goud

betekenis & definitie

Het begrip goud heeft 2 verschillende betekenissen:

1. goud - o. het voornaamste der edele metalen: goud graven;
— goud wasschen, door spoelen het goud uit het goudhoudende zand afscheiden;
— een klomp, eene baar, eene staaf goud;
— gedegen goud, zuiver, niet vermengd met andere metalen;
— fijn, goed, louter goud, van zeer zuiver gehalte;
— goud van 14, van 18 karaat, dat 14, 18 karaat zuiver goud bevat op het mark van 24 karaten, ook goud van 583, van 750 duizendsten genoemd;
— rood goud, goud dat naar verhouding met meer deelen koper dan zilver is gelegeerd of gekarateerd;
— geel goud, met meer zilver dan koper;
— Engelsch goud, eene legeering van 14 deelen goud met 6 zilver en 4 koper;
— Fransch (of Parijsch) goud, bleekgeel bladgoud;
— Mannheimer goud, eene soort van tombak;
— geslagen goud, met den hamer uitgesmeed goud, (ook) tot zeer dunne blaadjes uitgeklopt goud, bladgoud;
— gemunt goud, goudgeld;
— gemaakt en ongemaakt goud, al of niet tot voorwerpen of sieraden verwerkt;
— in goud werken, gouden voorwerpen vervaardigen;
— (iets) in goud vatten (of zetten), het met een rand, eene kas van goud omgeven;
— als een pareltje) in ‘t goud zitten, (fig.) eene uitnemende plaats hebben: ik zat tusschen mijne nichten als een pareltje in ’t goud;
— (iets) in goud beslaan, het in een gouden of met goud versierd omhulsel sluiten, gelijk men reliquieën doet;
— iem. in goud beslaan, hem vereeren als een reliek, hem in eere houden;
— (ook) ik zou je in goud beslaan, als het een dubbeltje het pond kostte, schertsend gezegd als men iem. zijne dankbaarheid wil toonen;
— al was zij ook in goud beslagen (of al stond zij ook in goud), ik zou toch niets van haar willen weten;
— (spr.) het is al geen goud, wat er blinkt, schijn bedriegt;
— (Zuidn.) hij doet, gedraagt zich, alsof zijn hals van goud ware, alsof hij schatrijk was, alsof zijn geld niet op kan;
— een hart als (of van) goud, eene voortreffelijke inborst;
— zoo eerlijk, zoo trouw als goud, ten volste vertrouwbaar;
— iets tegen goud {moeten) opwegen, er een zeer hoogen prijs voor (moeten) betalen;
— (spr.) eigen haard is goud waard, men moet het huiselijk leven op hoogen prijs stellen;
— dat is goud waard, daar mag men wat voor over hebben;
— men kan ook het goud te duur betalen, iets begeerlijks, iets kostbaars kan te duur gekocht worden:
— (spr.) de morgenstond heeft goud in den mond, vroeg opstaan is profijtelijk;
— er is geen goud zonder schuim, niets is volmaakt, alles heeft zijne schaduwzijde;
— spreken is zilver, zwijgen is goud, zwijgen is soms nog veel beter dan spreken;
— wat uit goud bestaat of daarvan gemaakt is: zij pronkte met een schat van goud en juweelen; haar costuum was stijf van het goud. van gouden boordsels, gouddraad enz.; iemands naam met goud boekstaven, met goud in het marmer schrijven, met gulden letteren;
— (van boeken) goud op snede, op de snede verguld;
— goudgeld: zijn papieren geld tegen goud inwisselen; honderd gulden aan goud; eene ton gouds, 100.000 gulden;
— (ook) geld in ’t algemeen, rijkdom, schatten: voor geen goud zou hij het willen doen, voor niets ter wereld;
— het is met geen goud te betalen, onbetaalbaar;
— het goud vermag alles;
— gouden kleur; (wapenk.) een der zoogenoemde metalen, vaak door geel voorgesteld: in goud (op een veld van goud) een roode leeuw;

(dicht.) het goud zijner haren;
— het golvende goud, een korenveld;
— vloeibaar {vloeiend) goud, van de stralen der zon, (ook) van fonkelenden rijnwijn.

2. goud - bn. (in de volkstaal bij onz. woorden) gouden: een goud horloge, een goud oorijzer, naar analogie van een goed horloge, goed brood enz.