Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Haard

betekenis & definitie

Het begrip haard heeft 2 verschillende betekenissen:

1. haard - HAARD, m. (-en), stookplaats (met rooster): er lag nog asch op den haard; gezellig om den haard zitten; in het hoekje van den haard, bij den haard, (bij uitbr.) in het gezellig huisvertrek; (evenzoo) , aan den huiselijken haard; de gemeene haard, de haard in eene herberg, de gelagkamer;
— erf, woning, in de zegsw. eigen haard is goud waard, eigen woning, eigen familiekring is zeer veel waard;
— (bij verschillende takken van nijverheid) verwarmingstoestel voor het smelten van ertsen, ijzer, glas, ter verwarming der papierstof enz.;
— (bij vulkanen) onderaard sche ruimte, waar sterke verhitting plaats vindt;
— (in kamers) eene soort van kachel die van voren open is een Engelsche haard; een gashaard, die met gas gestookt wordt;
— brandpunt: de haard van besmetting, plaats . waarvan de besmetting uitgaat;
— de haard van den opstand, middelpunt;
— tuberculeuze haard, etterhaard, plaats waarvan de besmetting zich verspreidt. HAARDJE, o. (-s).

2. haard - HAARD, m. (-en), (gew.) strekdam, zeehoofd om den golfslag te breken.