Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WINST

betekenis & definitie

WINST, v. (-en), (in hoog. st. WINSTE), het winnen, wat men wint: die zaak geeft eene zuivere winst van 40 gulden in de week;

— de bruto winst, verschil in prijs tusschen inkoop en verkoop;
— de netto winst, wat men voor iets meer ontvangt dan men in ’t geheel uitgegeven heeft;
— de winst bepalen, berekenen; (spr.) eerste winst is korte winst, wat men in het spel bij den aanvang wint, verliest men vaak spoedig weder;
— dit is zuivere winste voor onze partij, voordeel. WINSTJE, o. (-s), kleine winst.