Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Heer

betekenis & definitie

Het begrip heer heeft 2 verschillende betekenissen:

1. heer - HEER, m. (-en), (als titel van eerbiedwaardige en van hooger geplaatste personen) de naam waarmede God wordt aangeduid, in bijbelstijl ook in den vorm HEERE God de Heer; de Heere God; Onze Lieve Heer; de Heer is groot;
— het huis des Heeren, het bedehuis, de kerk, de tempel;
— (ook) Gods zoon, Jezus het gebed des Heeren, het door Christus uitgesproken gebed, het Onze Vader;
— in het jaar onzes Heeren 1672, in het jaar 1672 na Christus’ geboorte;
— hij is in den Heere gerust, hij is ontslapen in het vaste geloof aan den Zaligmaker;
— (scherts.) hij is in den Heere, hij is zalig, hij is dronken;
— (zegsw.) hij zou onzen lieven Heer van het kruis bidden, gezegd van iem. die hartstochtelijk bidt (of die schijnheilig is);
— (Zuidn.) ons Heer moet zijn getal hebben, er zijn alle soorten van menschen noodig, ook domme en onnoozele (scherts, in toepassing op zoo iem.);
— (Zuidn.) ons Heer een vlassen baard aandoen, den schijnheilige spelen;
— de hostie (als zijnde het lichaam van Jezus): men zou hem ons Heer geven zonder biechten, zoo vroom is hij;
— als krachtwoord of basterdvloek: Heer! hoe aardig; wel Heere, Heere !; Heere, mijn tijd!; Heere Jeetje, enz.
— als titel voor aanzienlijke wereldlijke en geestelijke personen Heer Gijsbrecht van Amstel; Heer Meinardus Man, abt van Egmond;
— als beleefdheidstitel: uw heer vader; mijn heer gemaal; heer neef, hoe vaart ge ?; Weledele Heer, Geachte Heer, aan het begin van een brief; aan den Heer N. N.; den Weledelgeboren Heer, den Heere N N. enz., op adressen;
— aanzienlijk persoon: met groote heeren is het kwaad kersen eten, zie GROOT; den grooten heer uithangen, op grooten voet, als een aanzienlijk man leven, ofschoon men dat niet is;
— (Ind.) de Groote Heer te Buitenzorg, de GouverneurGeneraal, de toean besar;
— (kaartsp.) de koning: de heer van ruiten; ik neem de vrouw met den heer;
— (ook) een deftig persoon, iemand van goeden stand: een heer en eene dame; ’t is een heer, geen burgerman; een heer zoekt gemeubileerde kamers; zijn de heeren present, dan zal ik de vergadering openen; de oude heer, van een bejaard man: een deftige oude heer, (ook) de vader mijn oude heer komt over;
— (gemeenz.) de, mijn jonge heer, penis, mannelijke roede; zijn jonge heer een handje geven, wateren;
— het heertje zijn, er als een heer uitzien, (ook) klaar zijn, geholpen zijn, in zijn nopjes zijn leen mij dien hoogen hoed, dan ben ik het heertje;
— (ook) persoon (in ’t algem.), in dezen zin ook o. gebruikt ‘t is een raar heer; een onverschillig heer;
— minachtend dat heer wil ook meespreken;
— landheer, vorst, iem. die over anderen te zeggen heeft: de heer des lands; geestelijke en wereldlijke heeren; op ’s heeren straten (of wegen), op den grooten weg, den heerweg;
— eigenaar eener heerlijkheid Huyghens was Heer van Zuilichem;
— de heer des huizes, het hoofd van het gezin;
— de heer der schepping, de man;
— ik ben hier heer en meester, heb er alles te zeggen;
— de magistraat: nieuwe heeren, nieuwe wetten, ieder nieuw bestuur brengt verandering in de verordeningen;
— wat de heeren wijzen, moeten de gekken prijzen, het volk moet genoegen nemen met wat de wetgeversbepalen;
— hij moet voor de heeren komen, voor burgemeester en wethouders, voor zijne patroons enz.;
— hei zal wat wezen als het voor de heeren komt, gezegde om te kennen te geven dat men weinig verwachting heeft van iets dat als zeer gewichtig wordt voorgesteld; strenge heeren regeeren niet lang, wie al te streng is, verliest spoedig zijn gezag, fig. ook van eene zeer strenge koude, enz , om aan te duiden dat die niet lang aanhoudt;
— meester: niemand kan twee heeren dienen; onze heer is heel goed voor zijne onderhoorigen;
— zoo heer. zoo knecht, deugt de heer niet, dan is ook de knecht een verkeerde; bij harde heeren worden de knechten goed. HEERTJE, o. (-s).

2. heer - HEER, ook HEIR, o. (heren, heiren), leger, krijgsmacht;
— (fig.) menigte: het heer der stenen.