Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Gemeen

betekenis & definitie

Het begrip gemeen heeft 2 verschillende betekenissen:

1. gemeen - GEMEEN, bn. bw. (-er, -st), gemeenschappelijk aan meer dan één eigen of toebehoorende: voor gemeene rekening, op gemeene kosten, voor gemeenschappelijke rekening, op gezamenlijke kosten;
— gemeene muren, gemeene slooten enz. waarop de eigenaars van belendende erven gelijk recht of gelijkelijk betrekking hebben;
— gemeene zaak met iemand maken, met hem gemeenschappelijk handelen, zijne partij kiezen:
— gemeene averij, averij die ten laste komt van schip, vrachtpenningen en lading gezamenlijk;
— (wisk.) een gemeene deeler, gemeene maat, gemeen veelvoud, een deeler, maat enz., die aan twee of meer grootheden gelijkelijk eigen is;
— (hist.) broeders {zusters, broederschap) des gemeenen levens, zie BROEDER;
— (scherts.) zusters des gemeenen levens, de publieke vrouwen;
— de gemeene vijand, met wien twee of meer personen of volken te gelijk twist hebben;
— de eerste Christenen hadden alles gemeen, leefden in gemeenschap van goederen;
— hij heeft niets met zijn broeder gemeen, zij verschillen in alle opzichten;
— wij hebben niets gemeens meer met elkander, het is geheel uit tusschen ons, alle betrekkingen zijn afgebroken;
— het meertje, het land ligt gemeen met de zee, heeft gemeenschap met de zee, het zeewater kan er vrijelijk komen;
— na de doorbraak hebben de gronden weer met de zee gemeen gelegen,
— algemeen gemeene weiden, landen waarop alle bewoners van eene of meer gemeenten het recht hebben hun vee te laten weiden
— de gemeene weg, de openbare weg;
— die begrippen en denkbeelden zijn thans gemeengoed geworden, algemeen eigendom
— iets door den druk gemeen maken, onder ieders bereik brengen;
— de gemeene regeering, het landsbewind;
— de gemeene lasten, de lasten die alle leden van den staat gezamenlijk moeten dragen;
— de gemeene zaak, het algemeen belang, de staat:
— gezamenlijk: de gemeene ingelanden, (van een polder); het gemeene land van Rijnland, al het land dat tot het gebied van het waterschap Rijnland behoort;
— (gew.) gemeenzaam hij is een gemeene man, vriendelijk tegen zijne minderen;
— zich te gemeen maken met zijne dienstboden.
— (Zuidn.) hij heeft zich de leekenkunst gemeen gemaakt, er zich mede vertrouwd gemaakt;
— niet boven anderen uitstekende, gewoon, alledaagsch de gemeene man, de gewone, onaanzienlijke burger;
— het gemeene volk. de groote menigte;
— een gemeen soldaat, gemeen matroos, zonder eenigen rang:
— het gemeene gevoelen, gemeene oordeel, de gewone manier van opvatten of redeneeren;
— in het gemeene leven, in het dagelijksche leven, gemeenlijk
— die naam is bij ons zeer gemeen, zeer gewoon, komt veelvuldig voor:
— een gemeene houten stoel, een alledaagsche, zeer eenvoudig gemaakte houten stoel;
— iemand van niet gemeenen aanleg, van niet alledaagsche, bijzondere begaafdheid;
— onbeduidend, gering, slecht in zijne soort: gemeene sigaren, gemeen papier enz.;
— gemeen weer, heel slecht, onaangenaam wedei;
— laag, verachtelijk; een gemeene streek, eene gemeene behandeling’,
— dat is gemeen (van je), dat is eene lage handelwijze:
— plat, onkiesch: gemeene taal, gemeene praatjes, een gemeten liedje;
— laag, slecht, verachtelijk: een gemeene kerel, eene gemeene meid: je bent een gemeene jongen;
— bw. (van wijze) op eene gemeene wijze: ik ben gemeen behandeld, onrechtvaardig;
— zij ziet er gemeen uit, slecht, onfatsoenlijk;
— hij schrijft gemeen, in hooge mate leelijk;
— bw. (van versterking) dat is gemeen duur, bijzonder duur;
— het doet gemeen zeer, akelig veel pijn. GEMEENTJES, zie ald.

2. gemeen - GEMEEN, o. de lagere volksklassen, het gepeupel het groote, doch vaak miskende deel onzer natie, dat men het gemeen noemt; het dom, het laag, het wispelturig gemeen;
— in het gemeen, gemeenschappelijk (het tegenovergestelde van in het bijzonder) (spr.) dingen in *t gemeen bezeten, worden van elkeen vergeten, op gemeenschappelijk bezit stelt niemand bijzonderen prijs;
— in het algemeen, zonder op de uitzonderingen te letten er is in ‘t gemeen niets nieuws onder de zon;
— gemeenlijk een ezel stoot zich in 't algemeen, geen tweemaal aan denzelfden steen.