ZELFSTANDIG, bn. bw. (-er, -st), wezenlijk, op zichzelf staande, onafhankelijk: zelfstandig oordeelen, optreden; zelfstandig handelen, bij zijne handelingen vrij zijn van den invloed van andere personen; een zelfstandig bestaan hebben, in eigen behoeften kunnen voorzien;
— (spraakk.) zelfstandig naamwoord, een der tien rededeelen van eene taal; zelfstandig werkwoord, het werkwoord wezen of zijn wanneer het niet als hulpwerkwoord gebezigd is.