Wat is de betekenis van eigen?

2019
2022-12-09
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

eigen

eigen - Bijvoeglijk naamwoord 1. op zichzelf betrekking hebbend, van jezelf Eigen huis. Vakantie in eigen land. 2. typisch (voor) Experimenteren is eigen aan de leeftijd. ...

Lees verder
2018
2022-12-09
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

eigen

eigen - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ei-gen 1. van jezelf ♢ dat zijn mijn eigen zaken 1. je een vreemde taal eigen maken [een vreemde taal leren] 2. eigen baas...

Lees verder
2004
2022-12-09
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

eigen

(zn.) - ik werk voor mijn eigen, ik werk voor mezelf. - hij werkt voor zijn eigen, hij is zelfstandige. - op zijn eigen zijn, eenzaam, alleen (willen) zijn.

Lees verder
1998
2022-12-09
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Eigen

1 de- broek op kunnen houden,geheel onafhankelijk van anderen zijn; zichzelf kunnen beredderen. Een erg recente en wat modieuze uitdr. Maar ook dit soort organisaties moet leren de eigen broek op te houden. (Vrij Nederland, 16/03/91) Het meerjarenplan van de NOS, in de wandelgangen het plan-De Jong, gaat ervan uit dat de omroepen ‘de eigen broek op...

Lees verder
1973
2022-12-09
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Eigen

I. bn., 1. niet aan anderen, maar aan ons zelf toebehorende: uit eigen zak iets betalen, kopen; eigen haard is goud waard; in eigen persoon, versterking van: zelf; soms als versterking van het bez. vn. om nadrukkelijk anderen uit te sluiten: zijn eigen vrouw; ik zag het met eigen ogen, heb het zelf gezien; bemoei u met uw eigen zaken, niet met die...

Lees verder
1952
2022-12-09
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Eigen

adj., eigen, egen, fortroud, hiem; het is mij —, it hinget my oan; zich maken, jin oaneigenje.

1951
2022-12-09
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Eigen

eigen; eigenaardig, bijzonder; eigene Leute, lijfeigenen; sein eigenstes Wesen, zijn diepste aard; auf eigene Faust, op zijn eigen houtje; in eigener Sache, pro domo.

1950
2022-12-09
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Eigen

I. bn. (alleen in de bet. 6. verbogen), 1. niet aan anderen, doch aan ons zelf toebehorende: die boer woont op een eigen plaats ; uit eigen zak iets betalen, kopen ; eigen haard is goud waard ; eigen equipage, niet gehuurd ; — in eigen persoon, versterking van: zelf; een eigen zelfstandig naamwoord (in tegen...

Lees verder
1937
2022-12-09
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

eigen

I. bn. (1 aan den persoon of de zaak zelf toebehorend; 2 van iem. of een zaak zelf uitgaande; 3 iem. of een zaak zelf treffend of betreffend; 4 een eigenschap, hoedanigheid, toestand van een persoon of zaak zelf vormend; aangeboren; 5 een bijzonder kenmerk vormend, iets persoonlijks verlenend of uitmakend; 6 gewend; 7 gemeenzaam, vertrouwelijk; 8 Z...

Lees verder
1933
2022-12-09
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Eigen

(Lat. Proprium), in liturgischen zin gezegd van zekere teksten van Missaal en Brevier, in tegenstelling met „Gemeenschappelijk” (→ Commune Sanctorum). → Proprium Sanctorum; → Proprium de Tempore.

1930
2022-12-09
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

eigen

('eigən) I. bn. (-er, -st) 1. aan de persoon zelf toebehorend : een -huis; met mijn handen; zijn, aan iemand, hem toebehoren. → been, bril, deur, glas, haard, man, persoon, wiek. Tgst. vreemd. 2. van iemand of een zaak zelf uitgaand :dat is zijn antwoord. → dood. 3. iemand of een zaak zelf (be)treffend ; op zijn verantwoording; vo...

Lees verder
1911
2022-12-09
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Eigen

Got. aigan, is eigenlijk het tegenw. deelw. van een Oudgerm. werkw., dat bezitten bet.; eigen is dus oorspr. bezittende; de Germ. wt. is aig, beantwoordend aan een Skr. wt., die heer zijn bet.

1898
2022-12-09
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Eigen

EIGEN, bn. (onverbogen) niet aan anderen, doch aan ons zelven toebehoorende die boer woont op eene eigen plaats; — eigen equipage, niet gehuurd; — eigen haard is goud waard, zie HAARD; een eigen zelfstandig naamwoord (in tegenstelling met gemeen), eigennaam; — (als versterking van bezittelijke voornaamwoorden) zijne eigen vrouw;...

Lees verder
1864
2022-12-09
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Eigen

Eigen, bn. en bijw. (-er, -st), uitsluitend toebehoorende; hij had dit huis gehuurd, maar nu is het zijn -; - haard is goud waard; zijn - heer en meester zijn, van niemand afhankelijk zijn; mijn - broeder; op zijne -e wieken dobberen, zelf in al zijne behoeften voor- zien.@#*-, natuurlijk, aangeboren, het is den vogels - te vliegen; gewend, hij is...

Lees verder