Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Geld

betekenis & definitie

Het begrip geld heeft 2 verschillende betekenissen:

1. geld - GELD, o. het ruilmiddel en de waardemeter in het maatschappelijk verkeer, bestaande in gangbaar gemunt metaal, inz. goud, zilver of koper, of wel, in papier dat eene bepaalde hoeveelheid gemunt metaal vertegenwoordigt en van staatswege als wettig betaalmiddel erkend is geld slaan; geld munten, aanmunten; papieren geld; gemunt geld; geld leenen, opnemen, beleggen; om geld magen; om geld verlegen zijn; de waarde van het geld niet kennen;
— baar geld, gereed geld, klinkende munt of papieren geld;
— hel goede (goeie) geld, ter aanduiding van de waarde die het geld voor den bezitter heeft, denk je dat ik mijn goeie geld in die onzinnige onderneming zal steken ?;
— goed geld naar kwaad geld gooien, kosten maken in de ijdele hoop verloren geld daardoor terug te krijgen (als oninbare posten, een onwinbaar proces, eene kwade onderneming enz );
— daar is kwaad geld bij, in toepassing op bezittingen of zaken die met schulden bezwaard zijn; (ook) is er ook kwaad geld bij ? valt er van den gevraagden prijs ook iets af te dingen ?;
— klein geld, kleine geldstukken, t. w. als pasmunt;
— (fig.) iets op klein geld geven. het in bijzonderheden verklaren;
— groot geld, (eigenl.) groote geldstukken, hetzij standaardpenningen of veelvouden daarvan, (bij uitbr.) groote geldsommen, veel geld;
— grof geld, (eigenl.) groot geld, (fig.) veel geld; hij heeft er grof geld voor moeten geven; grof geld verdienen;
— licht geld, in toepassing op munten die het vereischte gewicht niet hebben licht geld, lichte waar, voor weinig geld kan men niets goeds koopen;
— Zuidn.) schoon geld, eene heele som 300 frank voor die tafel? het is schoon geld, het kost veel;
— vuil geld, geld dat op vuile, oneerlijke wijze verkregen is men moet in den handel ook het vuile geld aannemen;
— aan geld, (van eene waarde gezegd) in klinkende munt of papier bestaande: hij had tienduizend gulden bij zich, aan diamanten en aan geld;
— een geschenk in geld, in klinkende munt of napier;
— iets te gelde (ook wel tot geld) maken, het verkoopen, zoodat men er geld voor in de plaats krijgt;
— het ruilmiddel in den handel enz.: geld leenen, beleggen, uitzetten, op hand geven; geld schieten, bieden; het geld is overvloedig, schaarsch;
— dat is te veel, te weinig geld, te duur, te goedkoop;
— die ondernemingen geven goed geld, zijn zeer winstgevend;
— geld maken, geld verdienen, met het bijdenkbeeld, dat men daartoe al zijne krachten inspant, en dus veelal in afkeurenden zin;
— geld in iets steken (t. w. in eene zaak, eene onderneming enz.), het aan de kansen daarvan wagen;
— geld uit iets slaan, er geld aan weten te verdienen;
— goede woorden kosten geen geld, goeden raad of troost kan men geven zonder dat men in den zak behoeft te tasten (inz. met het bijdenkbeeld dat men daarmede dus guller is dan met financieele hulp);
— koopen kost geld, wie koopen wil, moet geld hebben;
— kijken kost geen geld, kost niets;
— zijne studie kost geld, handen vol (of met) geld, kost zeer veel;
— iemand geld uit den zak kloppen, hem geld doen uitgeven;
— zijn geld wel kunnen tellen, niet veel geld hebben, zoodat het in korten tijd te tellen is:
— goed voor het geld zijn, rijk genoeg zijn om het geld dat men schuldig is, te kunnen voldoen; (ook) eerlijk zijn;
— voor geld en goede woorden kan men overal terechtkomen, wie genoeg geld te zijner beschikking heeft en beleefd is wordt overal voortgeholpen;
— dat is geld waard, dat heeft veel waarde, of wel, brengt veel op, (fig.) dat is kostelijk, prachtig, buitengewoon aardig (van gezegden, aardigheden enz.);
— dat riekt naar geld, dat is duur;
— geld als water (in Zuidn. gewoon-ijk: geld als slijk) verdienen, zooveel geld verdienen als men maar wil;
— het geld maar voor het oprapen hebben, zooveel verdienen als men wil;
— bulken van het geld, tot over de ooren, tot aan de ellebogen in het geld zitten, schatrijk zijn;
— met zijn geld geen weg weten, zooveel geld hebben dat men niet weet wat er mede te doen;
— geld in het water werpen, het verspillen aan eene roekelooze of dwaze onderneming;
— eieren (appels) voor zijn geld kiezen, zich met minder tevreden stellen dan men aanvankelijk eischte (om althans iets te krijgen);
— het geld groeit mij niet op den rug, ik moet voor het geld hard genoeg werken, ik kom er zoo gemakkelijk niet aan; als het schip met geld maar kwam, scherts, verzuchting als men te weinig geld heeft: ik zal het doen wanneer mijn schip met geld aankomt?
— geld is de boodschap, ieder vraagt alleen naar geld;
— de koopman ziet graag geld, is blij dat men hem betaalt;
— geld bij de visch (of bij de boter), zegswijze, waarbij men op contante betaling doelt of aandringt;
— daar geeft de lommerd geen geld op, dat is niets waard, in figuurlijke opvatting, van praatjes die geen waarheid bevatten;
— vandaag voor geld, morgen voor niet, bekende aardigheid als opschrift van herbergen, kroegen, winkels enz.;
— geld baart onrust, aan het bezit van geld is veel zorg verbonden;
— geld is goede waar, men moet zijn geld op prijs houden, er niet te los mee omspringen
— het geld niet laten beschimmelen, het gemakkelijk uitgeven, verteren;
— geld is maar slijk, scherts, wanneer iem. te hooge waarde aan het bezit van geld toekent;
— geld maakt alles goed;
— geld maakt vrienden;
— geld verzoet den arbeid;
— het geld dat stom is, maakt recht dat krom is (en sneeg dat dom is), mismaaktheid of onrechtmatige handelingen (en domheid) worden over ’t hoofd gezien bij iem. die geld heeft, (bij uitbr.) geld maakt alles goed;
— het geld dat plat is, maakt droog wat nat is, met geld kan men indijkingen en droogmakingen tot stand brengen;
— het geld regeert de wereld, (of) het geld is de ziel der negotie, het is de spil waarom alles draait;
— geld vermag alles, voor geld krijgt men alles gedaan;
— geen geld, niet geteld, wie arm is, wordt niet geacht;
— het geld heeft geen reuk, ieder heeft het graag, ieder wil het, zonder naar de herkomst tc vragen
— geen twee missen voor één geld, niet tweemaal hetzelfde zeggen of doen
— koperen geld, koperen zielmissen, zoo geld, zoo waar;
— men moet al zijn geld niet op ééne kaart zetten, men moet zijn geheele vermogen niet in ééne onderneming of in één fonds steken;
— tijd is geld, wie met den tijd, dien hij heeft, zijn voordeel weet te doen, kan geld verdienen;
— waar geld is, wil geld wezen, ook geld wil bij geld; ook geld zoekt geld, of geld wint geld, wie eenmaal geld bezit, zal er gemakkelijk nog meer bij krijgen of winnen
— geldelijk vermogen, geldmiddelen, vermogen, middelen: (geen) geld hebben; een meisje trouwen om haar geld;
— iem. van (veel) geld, iem. die (zeer) bemiddeld is;
— iem. zonder geld, iem. zonder middelen, die geen vermogen heeft;
— ben je schelm, of ben je dief, heb je geld, ik heb je lief;
— geen geld hebben, onbemiddeld zijn;
— van zijn geld leven, van zijne renten leven:

— . (-en), eene zekere hoeveelheid geld, eene geldsom hier is het geld dat ik u schuldig was; zijn die gelden reeds verrekend ?:
— de hoeveelheid geld die iets kost, de prijs hier is het geld van de jas;
— kinderen betalen half geld den halven prijs:
— het volle geld, de volle prijs, de volle waarde;
— voor geen geld, of voor (om) geen geld ter wereld, voor geen prijs hoegenaamd, in geen geval;
— : te licht voor het geld zijn, (eigenl.) in toepassing op slechte waar of onvoldoend werk, die het geld, den prijs die er voor gevorderd wordt niet waard zijn, (fig.) in toepassing op personen, die een lichtzinnig leven leiden;
— dat heb ik voor hetzelfde geld, dat kost mij evenveel, of wel, dat kost mij even weinig, t. w. niets;
— (Zuidn,) iets geld voor geld moeten verkoopen, voor denzelfden prijs als men het heeft gekocht, dus zonder winst;
— alle waar is naar haar (zijn) geld, de deugdelijkheid eener waar is evenredig aan den prijs. GELDJE, o. zie aldaar.

2. geld - GELD, bn. (gew.) niet drachtig, gust, vaar (in toepassing op dieren, die men niet laat bevruchten, ten einde ze te vetweiden of te mesten): eene gelde koe; eene gelde zeug; een geld schaap; geld vee; vgl. GELT.