Dienst betekenis & definitie

DIENST, m. het dienen, dienstbaar zijn: in iemands dienst treden, hem als ondergeschikte gaan dienen; iem. in dienst nemen; in dienst van den Staat overgaan; in dienst der waarheid, der liefde, van Gods woord, vgl. ook heerendienst, godsdienst, beeldendienst, loondienst, krijgsdienst, zeedienst, slavendienst, staatsdienst, — (in ’t bijzonder) het dienen als soldaat; hij is in dienst geweest; hij heeft den dienst verlaten, : is uit dienst; dienst nemen voor Indië; — hij heeft twaalf jaren dienst, twaalf jaar gediend; — het verrichten van militaire werkzaamheden op een bepaald tijdstip: de korporaal kon niet uitgaan, daar hij dienst had; (hij uitbr.) ook van politieagenten en andere ambtenaren; dienst gaat voor; — de adjudant van dienst, die de wacht heeft; — het verrichten van kerkelijke plechtigheden, godsdienstoefening: er is van avond dienst (vooral in de Kath. kerk); — (R.-K.) lijkdiensf: iem. met dm laagsten dienst begraven, hem eenvoudig begraven, (fig.) hem armoedig, slecht onthalen; — onder eene zekere leiding verrichte werkzaamheden (op spoorwegen, schepen enz.) de dienst heeft door ’t ongeluk slechts kort stilgestaan; — bij een anderen tak van dienst komen; — — m. (-en), de positie die men in iemands huis als dienstbare (knecht, meid, kok enz.) inneemt: een nieuwen dienst zoeken; naar eene meid in haren vorigen dienst informeeren; — een goede dienst, waar men ’t goed heeft; — er zijn meer goede diensten dan kerken, zegswijze van dienstboden, om te kennen te geven dat het hun onverschillig is, hun dienst te verlaten; — wat men ten behoeve, ten nutte van iemand verricht: ge hebt me daar een goeden dienst gedaan (bewezen); — iem. een kwaden, slechten dienst doen, hem benadeelen in de meening dat men hem bevoordeelt; —ontslagen onder dankbetuiging voor de vele; diensten, den lande bewezen; — (spr.) de eene dienst is den anderen waard, een dienst geeft eenig recht op wederdienst; — (spr.) een aangeboden dienst is zelden aangenaam; — iem. zijn goede diensten aanbieden, zijne hulp, bemiddeling; — dat boekje is me van dienst geweest, heeft me geholpen, ik heb er nut van gehad; — waarmee kan ik u van dienst zijn ?; wat is er van uw dienst ? wat verlangt u ?; — ten dienste staan, ter beschikking; — gooi dat oud. papier niet weg, het kan nog wel eens dienst doen, gebruikt worden, van nut zijn; — een touw deed dienst als trapleuning, werd ervoor gebruikt; — (financiewezen) het jaar van dienst 1912, het boekjaar; (ook) posten overschrijven op den dienst van 1913.

Laatst bijgewerkt 02-09-2018