Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Oordeel

betekenis & definitie

Oordeel o. (veroud.) vonnis, thans nog alleen in bijbeltaal: toen de vierschaar der godloozen tegen hem ten oordeel zat (Da Costa); zij grepen den Koning en spraken een oordeel tegen hem (2 Kon. 25, 6); ten oordeel dagen, voor de rechtbank; het oordeel over zondaars heeft de Heer voor zich bewaard; het oordeel Gods;

— veroordeeling, straf: het oordeel is gekomen over het vlakke land; de God des oordeels, de God die straft; inz. het vonnis dat Christus zal uitspreken op het einde der wereld over de levenden en de dooden: het laatste Oordeel;
— een laatste oordeel, een schilderij, waarvan het laatste Oordeel het onderwerp is; de dag des oordeels, de jongste dag;
— (spr.) een leven als een oordeel, een helsch lawaai, een leven zooals het op den jongsten dag zal zijn;
— (R.-K.) het bijzonder Oordeel, het vonnis door God uitgesproken over den mensch terstond na den dood, in tegenstelling met het algemeen of laatste Oordeel;
— het oordeel Gods, godsoordeel, ordale, zie die woorden;
— goed- of afkeurende uitspraak, welke als geldig erkend wordt, van kracht is: met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; uw oordeel is hard; een oordeel strijken, vellen; zijn oordeel opschorten; iets aan het oordeel van anderen overlaten; het oordeel verblijve aan een ander, dat een ander uitspraak doe;
— meening, gevoelen: zijn oordeel zeggen, te kennen geven, uiten; iem. zijn oordeel vragen;
— van oordeel zijn, eene zekere meening hebben;
— mijns oordeels, mijns erachtens; naar mijn oordeel; volgens het oordeel van anderen;
— (wijsbeg.) het erkennen eener betrekking tusschen twee of meer zielebeelden, hetzij ten gevolge van hunne overeenkomst of hun verschil; (sprk.) de uitdrukking van zulk eene erkenning;
— het vermogen van den menschelijken geest om uit de waargenomen verschijnselen gevolgtrekkingen af te leiden, omtrent de wezenlijke gesteldheid der dingen: een helder, rijp, zuiver, gezond oordeel; oordeel des onderscheids, zie onderscheid; gebrek aan oordeel; buiten het bereik van iemands oordeel liggen, zijn verstand te boven gaan;
— met oordeel te werk gaan, zoodat men van goed overleg blijk geeft.