Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Liggen

betekenis & definitie

Liggen (lag, heeft en is gelegen), (van personen en dieren) in eene liggende houding zijn of zich bevinden, tegenstelling van staan en zitten hij lag voorover op den grond; hij ligt nog te bed; de hond lag bij zijn stoel; in zwijm, in onmacht, bewusteloos liggen;

— hij heeft liggen bidden, hij heeft eenigen tijd liggende gebeden;
— op sterven liggen, den dood nabij zijn;
— op de loer liggen;
— iem. links laten liggen, geen notitie van hem nemen;
— onder één deken liggen, het met elkander eens zijn;
— zich aan iets gelegen laten liggen, ergens belang in stellen;
— te bed liggen, het bed houden (wegens ziekte), rusten: ik was niet wel en ben daarom wat blijven liggen; zij ligt reeds acht dagen; hij ligt aan de mazelen; zij ligt aan (met) de tering;
— gaan liggen, zich ziek te bed leggen;
— als ge u vermoeid voelt, ga dan een poosje liggen;
— de oude man gaat na het eten altijd wat liggen;
— in de kraam liggen;
— (Zuidn.) iem. liggen hebben, in het worstelen iem. op den grond krijgen; (fig.) iem. onschadelijk maken, hem de baas zijn; (ook) hem beetnemen;
— begraven liggen op dat kerkhof ligt nog familie van mij; hier ligt... (op grafzerken);
— gelegerd zijn (van soldaten): in garnizoen, in bezetting liggen; de Spanjaarden lagen reeds eenige weken voor Haarlem;
— verblijf houden bij iem. thuis liggen; hij ligt daar {op) school;
— zich bevinden, in zekeren toestand zijn met iem. in proces, in twist liggen, een proces, twist met hem hebben;
— met iem. overhoop liggen, met iem. in onmin zijn;
— lig toch niet te plagen, te zeuren enz. plaag, zeur enz. toch niet;
— (w. g.) op het punt zijn ik lig op reis daarheen;
— (van zaken) neergelegd zijn, in liggenden toestand verkeeren het boek ligt op de tafel; het schip ligt ten anker; in de haven liggen veel schepen;
— (fig.) de zaak bleef liggen, bleef rusten, had geen voortgang;
— het woord lag mij op de tong, op de lippen, ik was op het punt het uit te spreken;
— het {geval) ligt er toe, er is niets aan te veranderen;
— hij heeft het daar leelijk laten liggen, heeft zijn werk niet behoorlijk afgemaakt; (ook) heeft er zich misdragen;
—het zal aan mij niet liggen, ik zal er de schuld niet van hebben, ik zal er de oorzaak niet van wezen, het zal aan mij niet haperen;
— er is niets aan gelegen, ik geef er niets om;
— stil liggen (van geld), geene rente opleveren;
— gaan liggen, (van den wind) bedaren;
— gelegen zijn Rotterdam ligt aan de Maas; het huis ligt (of staat) op het noorden;
— bedekt, gevuld zijn met: de tuin ligt vol sneeuw; de tafel ligt vol boeken; de kelder ligt vol wijn:
— (Zuidn.) aan iets liggen, het hebben, met iets bezig zijn; zij liggen aan den wijn, zijn aan het drinken; zij liggen aan een lastig werk. hebben het uit te voeren;
— (Zuidn.) met iets liggen, het hebben; zij liggen met de duiten, zijn rijk.