Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Zeggen

betekenis & definitie

Het begrip zeggen heeft 2 verschillende betekenissen:

1. zeggen - ZEGGEN, (zegde, zeide, heeft gezegd, gezeid), mondeling (iets) te kennen geven, woorden uiten, spreken : iem. goeden dag zeggen, groeten ; de waarheid zeggen, niet liegen ;
— veel spreken, maar weinig zeggen, veel woorden bezigen zonder veel inhoud ;
— het oorspronkelijke zegt veel meer dan de vertaling, is scherper omlijnd, drukt veel juister uit;
— hij houdt meer van zeggen dan van doen, hij belooft veel, maar doet weinig ;
— hij is niet veel van zeggen, hij praat niet veel;
— zich niet laten zeggen, geene rede verstaan, zijn eigen zin volgen, ongehoorzaam zijn ;
— dat is genoeg gezegd, meer behoeft er niet te worden bijgevoegd ;
— hij moet oom tegen mij zeggen, ik ben zijn oom ;
— men zegt, ze zeggen, men vertelt, algemeen spreekt men van ;
— ik heb mij laten zeggen, men heeft mij verteld ;
— (spr.) onder ons gezegd en gezwegen, in vertrouwen gesproken ;
— ik weet het slechts van hooren zeggen, ik weet het niet zeker ;
— hij is gegoed, ik mag wel zeggen rijk, juister uitgedrukt;
— hij is, ik wil niet zeggen rijk, maar toch bemiddeld, ik wil niet beweren ;
— zeg nu eens dat gij niet gelukkig zijt, dat kunt ge nu toch niet meer beweren ;
— het is niet te zeggen, wat een verdriet zij heeft, het is niet uit te drukken, zij heeft verbazend veel verdriet;
— dat moet gezegd wezen, lui is hij niet, om de waarheid niet te kort te doen ;
— dient tot een stopwoordje in; wat ik zeggen wil, zijt gij klaar; zeg eens, hel, om iemands aandacht te trekken ;
— hij is zoo te zeggen klaar, nagenoeg, bijna klaar;
— dat kost f 9,93 of laten we zeggen ƒ10, laten wij stellen, voor een oogenblik aannemen ;
— zoo terloops gezegd, nu de gelegenheid zich voordoet;
— bij zichzelf zeggen, hardop denken; (gemeenz.) daar kunt ge donder op zeggen, daar kunt ge van verzekerd zijn ;
— hij staat daar of hij geen oui kan zeggen, hij staat er met den mond vol tanden ;
— ik zal er het mijne van zeggen, mijne meening over zeggen ;
— zoo gezegd, zoo gedaan, zoo gezegd werd, werd gedaan ;
— iem. dank zeggen, hem danken ;
— bevelen, gebieden : niets te zeggen hebben, geen gezag hebben ;
— als ik het voor het zeggen had, te beslissen, te bevelen had ;
— beduiden, beteekenen, te kennen geven: wat wil dat zeggen ?; wat wilt ge daarmee zeggen ?; dat is te zeggen, dat beteekent; 't is toch wat te zeggen, het is van belang ;
— alweer dat goed stuk, ‘t is toch wat te zeggen, het is verdrietig, treurig ;
— dat wil wat zeggen, dat beteekent wat;
— 10 gulden, wat wil dat zeggen ? wat beteekent dat nu ?;
— 1000 gulden wil voor hem niets zeggen, beteekenen niet veel bij hem ;
— oordeelen : wat zegt ge er van ?;
— aanmerken : wat hebt ge op zijn gedrag te zeggen ?; hij heeft op alles wat te zeggen;
— verwijten, toevoegen : zoo iets laat ik mij niet zeggen ; hij liet het zich geen tweemaal zeggen, hij volgde aanstonds het bevel op, (ook) hij wreekte er zich aanstonds over ;
— schriftelijk mededeelen ; Vondel zegt ergens; hij zegt in zijn brief;
— vermelden, wat zegt de Heilige Schrift daarvan ?;
— de wet zegt, schrijft voor. ZEGGING, v. het zeggen, uitdrukking, zinsnede.

2. zeggen - ZEGGEN, o. het gesprokene: volgens zijn zeggen, naar hij gezegd, beweerd heeft;
— alles kwam op mijn zeggen uit, zooals ik te voren gezegd, voorspeld had;
— dat is altijd mijn zeggen geweest, op deze wijze heb ik altijd gesproken;
— hij heeft het maar voor het zeggen, als hij zijn wensch kenbaar maakt, wordt die dadelijk vervuld: (ook vaak ironisch).