Gepubliceerd op 13-09-2018

Kracht

betekenis & definitie

Kracht v. (-en), vermogen, sterkte; lichaamskracht van menschen en dieren: hij bezit vooral veel kracht in zijne armen;

— zijne krachten nemen met den dag af, hij verzwakt zeer snel; lijders aan verval van krachten; hij is uit zijne kracht gegroeid; zijne krachten komen langzaam terug, van een herstellenden zieke; zijne krachten verspillen; met vereende krachten; zijne krachten meten met iem., zien wie de sterkste is, ook fig. in het spel enz.; behendigheid gaat voor kracht; zijne kracht is gebroken;
— God geeft kracht naar kruis, sterkte naar de mate van het te dragen leed;
— ook van de vermogens van den menschelijken geest, vgl. geestkracht, wilskracht zielskracht: hij heeft de kracht niet, om aan de verleiding weerstand te bieden; om door dat examen te komen, moet hij alle krachten inspannen,
— van zaken en van de daarin berustende eigenschappen: de kracht van den stoom, van het water, van den wind;
— (zeew.) met kracht van zeil, met zooveel mogelijk zeilen bijgezet;
— met kracht van nemen, door de riemen krachtig te bewegen;
— van abstracte begrippen: de kracht der liefde; in de kracht der jeugd, in den bloei;
— de kracht van een woord, de beteekenis ervan, wat het juist vermag uit te drukken;
— geweld, heftigheid: met kracht en geweld wilde hij gaan. met alle geweld, hij was er niet af te brengen; den vijand met kracht aanvallen;
— deugdelijkheid. goede, goed werkende eigenschap; de kracht van spijzen; de kracht van het vleesch, het vleeschnat;
— gezag, macht: kracht en macht over al de duivelen;
— uit kracht van, ingevolge, op gezag van, uithoofde, gemachtigd door;
— van kracht zijn (van eene wet enz.), gelden;
— macht, massa, menigte, vgl. strijdkrachten, heerkracht: eene kracht van geld;
— (werkt. en nat.) oorzaak, waardoor eene beweging wordt voortgebracht of gewijzigd: aantrekkingskracht; twee krachten op een lichaam laten werken;
— levendige kracht, de arbeid, dien een lichaam kan leveren, dat zekere snelheid verkregen heeft; electrische kracht.

< >