Hard betekenis & definitie

HARD, bn. bw. (-er, -st), niet of moeilijk samen te drukken, te doordringen, te verbrijzelen enz. zoo hard als steen; de harde diamant; zijne dijen zijn zoo hard als een spijker; op eene harde korst bijten; — harde appelen, onrijp, groen; — hij is zoo hard. als een spijker, hij bezit niets, heeft geen cent; — ’t gaat er hard tegen hard, gew. ook hard tegen onzacht, geene van beide partijen wil toegeven, (ook) de twist is hooggaande; — dat paard is hard in den bek, weinig of niet gevoelig voor het gebit; (fig.) (van menschen) weerspannig; — (Zuidn.) hard van hooren zijn, moeilijk hooren, hardhoorig zijn; — hij heeft een harden kop, leert niet gemakkelijk: — — een hard hoofd in iets hebben, sterk aan het slagen twijfelen; een hard kussen, een hard leger; — op den harden grond slapen, niet op een bed of een matras; — een hard ei, waarvan de inhoud door koken hard geworden is; — harde weg, hardgemaakt met grint, puin of door bestrating; — (Zuidn.) weer op ’t harde zijn, na eene ziekte weer buiten, weer op straat komen; — een hard dak, van pannen of leien — niet of slechts met moeite te buigen, stijf, stug: hard leer; een harde borstel, met stijve haren; — (van spijzen) hard in de maag liggen, niet gemakkelijk verteren; (fig.) dat zal hem lang hard in de maag liggen, dat zal hem heugen, daar zal hij niet gemakkelijk overheen komen; — (muz.) harde drieklank, drieklank met zuivere prime, groote terts en groote quint; de harde toonschaal, de groote tertstoonschaal; — hard water, water met veel kalkzouten en daardoor minder geschikt voor wasschen en koken; — hard gras, te rijk aan kiezelzuur; — hard bier, sterk, zuurachtig bier; — hard weer, droog weer, lang aanhoudende droogte; — zich met kracht doende gevoelen: een harde winter, streng, fel; een harde vorst, — ’t zijn harde tijden, vol moeiten of nooden; — een hard lot, moeilijk te verduren; — leven in harde dienstbaarheid; — hij had een harden dood, een moeilijken doodstrijd, een moeilijk sterfbed; — *t was een harde strijd, (ook fig.) moeilijk te beslissen; — 't was eene harde waarheid, pijnlijk om te vernemen; — ‘t harde woord moest er uit, wat ons moeite kost om te zeggen; — ’t waren harde voorwaarden, moeilijk om aan te nemen; — zoo iets is wél hard, valt hard, moeilijk te verduren, te verdragen, zich er in te schikken; — (bijb.) het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan; — het hard hebben, veel moeite, pijn, verdriet, ontbering moeten uitstaan: de armen hebben het dezen winter zeer hard; — blijk gevende van gestrengheid, onwelwillendheid harde maatregelen; eene harde straf; eene harde bejegening ondergaan; — een hard oordeel, vonnis, streng, onbarmhartig; — dat was eene harde les, gevoelig; — dat was eene harde leerschool voor hem, daar heeft hij het hard, moeilijk gehad; hij is hard van aard, ongevoelig voor teedere aandoeningen; — hij is hard voor zijne vrouw, behandelt haar niet zachtzinnig; — iem. harde woorden geven, toevoegen, onvriendelijk, (ook) barsch. gestreng, (ook) grievend: — zijne harde trekken spelden niet veel goeds, barsch, gestreng, koud; — (schild.) dal portret is te hard, niet „mollig” geteekend, (ook) de tegenstellingen van licht en schaduw zijn te forsch, te kras; — krachtig, hevig, fel een harden strijd te strijden hebben; — een hard vuur, fel brandend; — hij kreeg een harden klap, slag, stoot, schop, trap, pijnlijk; — (sport) een harde bal, die met kracht aankomt; — een harde donderslag, luid klinkend; — mei eene harde stem spreken, luid, niet zacht; — (gew.) een hard paard, dat veel kan uitstaan; — bw. op onzachte wijze hard liggen; hard neerkomen; —op krachtige wijze, met kracht: hard bellen; de deur hard dichtsmijten; hard. roepen; — luid de zieke slaapt: praat niet zoo hard; — snel: hard loopen, rijden; — (gemeenz.) hard gaat ie, kijk hem eens gaan; flink zoo; enz.; — de zieke gaat hard achteruit, zijne ziekte neemt snel toe, zijne krachten nemen snel af; — zijne zaken gaan hard achteruit, worden snel minder; — met aandrang, klem: hij liet zich niet hard noodigen, nam de uitnoodiging spoedig aan; — met inspanning: hard werken, hard studeeren; — in niet geringe mate iem. hard uitlachen; hard om iets lachen; — het regent, waait hard, op krachtige wijze: — flink het water kookt hard; — het hard te verantwoorden hebben. veel te lijden hebben: — in hevige mate ik twijfel er hard aan; ik verlang hard naar de vacantie; hij is hard ziek; — dat is hard noodig, zeer noodig; — rust heeft hij hard noodig, zeer noodig; — hard kerksch, hard Roomsch, streng, fel kerksgezind, "Roomsgezind „.

Laatst bijgewerkt 12-09-2018